verletten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- verzuimen
- verhinderen, tegenhouden, weerhouden, beletten
Vervoeging van verletten
verlettenhele werkwoord — verletteverleden tijd enkelvoud — verletvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verlet | verlette |
| jij | verlet | verlette |
| hij, zij, het | verlet | verlette |
| wij | verletten | — |
| jullie | verletten | — |
| zij | verletten | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verlet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verlet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verlet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verlet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verlet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verlet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verlet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verlet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verlet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verletten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verlet | gebiedende wijs |
| verlet | verleden tijd, deelwoord |
| verlet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verlet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verlette | verleden tijd |
| verlette | aanvoegende wijs |
| verlettend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van verletten
Vervoeging van verletten
verlettenhele werkwoord — verletteverleden tijd enkelvoud — verletvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verlet | verlette |
| jij | verlet | verlette |
| hij, zij, het | verlet | verlette |
| wij | verletten | — |
| jullie | verletten | — |
| zij | verletten | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verlet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verlet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verlet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verlet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verlet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verlet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verlet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verlet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verlet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verlet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verletten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verlet | gebiedende wijs |
| verlet | verleden tijd, deelwoord |
| verlet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verlet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verlette | verleden tijd |
| verlette | aanvoegende wijs |
| verlettend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verlet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verlet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verlet
Herkomst
afgeleid van letten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verletten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verlette | verleden tijd | verletten |
| verlettend | onvoltooid deelwoord | verletten |
| verlettende | woordvorm | verletten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verletten zijn vastgelegd.