verleren
werkwoordBetekenis
- iets wat ooit geleerd is weer vergeten
- in onbruik raken van een gebruik, gewoonte
Vervoeging van verleren
verlerenhele werkwoord — verleerdeverleden tijd enkelvoud — verleerdenverleden tijd meervoud — verleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verleer | verleerde |
| jij | verleert | verleerde |
| hij, zij, het | verleert | verleerde |
| wij | verleren | verleerden |
| jullie | verleren | verleerden |
| zij | verleren | verleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleer | gebiedende wijs |
| verleerd | verleden tijd, deelwoord |
| verleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleerde | verleden tijd |
| verlere | aanvoegende wijs |
| verlerend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van leren met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verleer | gebiedende wijs | verleren |
| verleerd | voltooid deelwoord | verleren |
| verleerde | verleden tijd | verleren |
| verleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verleren |
| verleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verleren |
| verlere | aanvoegende wijs | verleren |
| verlerend | onvoltooid deelwoord | verleren |
| verlerende | woordvorm | verleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verleren zijn vastgelegd.