verleien
werkwoordBetekenis
- belenen
Vervoeging van verleien
verleienhele werkwoord — verleideverleden tijd enkelvoud — verleidenverleden tijd meervoud — verleidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verlei | verleide |
| jij | verleit | verleide |
| hij, zij, het | verleit | verleide |
| wij | verleien | verleiden |
| jullie | verleien | verleiden |
| zij | verleien | verleiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verleien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verleien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verlei | gebiedende wijs |
| verleid | verleden tijd, deelwoord |
| verleid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleide | verleden tijd |
| verleie | aanvoegende wijs |
| verleiend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verleien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van lijen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verleien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verlei | gebiedende wijs | verleien |
| verleie | aanvoegende wijs | verleien |
| verleiend | onvoltooid deelwoord | verleien |
| verleiende | woordvorm | verleien |
| verleit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verleien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verleien zijn vastgelegd.