verkwanselen
werkwoordBetekenis
- niet de moeite doen om qua geld de echte waarde eruit te halen
- niet de moeite doen om qua tijd meer te bereiken en er meer uit te halen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verkwanselen
verkwanselenhele werkwoord — verkwanseldeverleden tijd enkelvoud — verkwanseldenverleden tijd meervoud — verkwanseldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkwansel | verkwanselde |
| jij | verkwanselt | verkwanselde |
| hij, zij, het | verkwanselt | verkwanselde |
| wij | verkwanselen | verkwanselden |
| jullie | verkwanselen | verkwanselden |
| zij | verkwanselen | verkwanselden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verkwanseld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verkwanseld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verkwanseld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verkwanseld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verkwanseld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verkwanseld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verkwanseld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verkwanseld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verkwanseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verkwanseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verkwanseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verkwanseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verkwanseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verkwanseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verkwanseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkwanseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verkwanseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkwanselen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkwanselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkwansel | gebiedende wijs |
| verkwanseld | verleden tijd, deelwoord |
| verkwanseld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkwanseld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkwanseld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkwanseld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkwanseld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkwanseld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkwanseld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkwanseld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkwanseld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkwanseld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkwanselde | verleden tijd |
| verkwansele | aanvoegende wijs |
| verkwanselend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verkwanseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkwanseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verkwanseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkwanseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verkwanseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verkwanseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verkwanseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verkwanseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verkwanseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkwanseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkwanseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verkwanseld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkwanseld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verkwanseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verkwanseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkwanseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkwanseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkwanseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkwanseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkwanseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkwanseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkwanseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkwanseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkwanseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkwanseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkwanseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkwanseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkwanseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkwanseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkwanseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkwanseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkwanseld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkwanseld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkwanseld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkwanselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkwanseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkwanseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkwanseld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkwanselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van kwanselen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verkwanselen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkwansel | gebiedende wijs | verkwanselen |
| verkwanseld | voltooid deelwoord | verkwanselen |
| verkwanselde | verleden tijd | verkwanselen |
| verkwanselden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkwanselen |
| verkwansele | aanvoegende wijs | verkwanselen |
| verkwanselend | onvoltooid deelwoord | verkwanselen |
| verkwanselende | woordvorm | verkwanselen |
| verkwanselt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verkwanselen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkwanselen zijn vastgelegd.