verkindsen
werkwoordBetekenis
- verlies van verstand bij ouderen zodat ze als het ware weer het verstand van een kind krijgen
Vervoeging van verkindsen
verkindsenhele werkwoord — verkindsteverleden tijd enkelvoud — verkindstenverleden tijd meervoud — verkindstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkinds | verkindste |
| jij | verkindst | verkindste |
| hij, zij, het | verkindst | verkindste |
| wij | verkindsen | verkindsten |
| jullie | verkindsen | verkindsten |
| zij | verkindsen | verkindsten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verkindsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verkindst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkindsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkinds | gebiedende wijs |
| verkindse | aanvoegende wijs |
| verkindsend | onvoltooid, deelwoord |
| verkindst | verleden tijd, deelwoord |
| verkindst te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkindst zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkindste | verleden tijd |
| waart verkindst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkindst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verkindst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkindst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verkindst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verkindst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verkindst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verkindst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkindst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkindst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verkindst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verkindst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verkindst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkindst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkindst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verkindst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkindst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkindst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verkindst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verkindsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verkindst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkindst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkindst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verkindsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verkindst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afleiding van kind met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verkindsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkinds | gebiedende wijs | verkindsen |
| verkindse | aanvoegende wijs | verkindsen |
| verkindsend | onvoltooid deelwoord | verkindsen |
| verkindsende | woordvorm | verkindsen |
| verkindst | voltooid deelwoord | verkindsen |
| verkindste | verleden tijd | verkindsen |
| verkindsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkindsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkindsen zijn vastgelegd.