verkankeren
werkwoordBetekenis
- aangetast worden door kanker
- aangetast worden
- in de war schoppen, bederven, verpesten
Vervoeging van verkankeren
verkankerenhele werkwoord — verkankerdeverleden tijd enkelvoud — verkankerdenverleden tijd meervoud — verkankerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkanker | verkankerde |
| jij | verkankert | verkankerde |
| hij, zij, het | verkankert | verkankerde |
| wij | verkankeren | verkankerden |
| jullie | verkankeren | verkankerden |
| zij | verkankeren | verkankerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verkankerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verkankerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verkankerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verkankerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verkankerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verkankerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verkankerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verkankerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verkankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verkankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verkankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verkankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verkankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verkankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verkankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkankerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verkankerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkankeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkankeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkanker | gebiedende wijs |
| verkankerd | verleden tijd, deelwoord |
| verkankerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkankerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkankerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkankerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkankerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkankerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkankerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkankerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkankerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkankerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkankerde | verleden tijd |
| verkankere | aanvoegende wijs |
| verkankerend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verkankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verkankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verkankerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verkankerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verkankerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verkankerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verkankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verkankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verkankerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verkankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkankerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkankerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkankeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkankerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkankerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkankerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van kanker met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verkankeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkanker | gebiedende wijs | verkankeren |
| verkankerd | voltooid deelwoord | verkankeren |
| verkankerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkankeren |
| verkankere | aanvoegende wijs | verkankeren |
| verkankerend | onvoltooid deelwoord | verkankeren |
| verkankerende | woordvorm | verkankeren |
| verkankert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verkankeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkankeren zijn vastgelegd.