Naar de inhoud

verhuizen

van woonplaats veranderen

verhuizen

werkwoord

Betekenis

  1. van woonplaats veranderen
  2. de inboedel van een ander overbrengen

werkwoord

  1. van woon- of vestigingsplaats veranderen ergative

Vervoeging van verhuizen

verhuizenhele werkwoord — verhuisdeverleden tijd enkelvoud — verhuisdenverleden tijd meervoud — verhuisdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verhuis verhuisde
jij verhuist verhuisde
hij, zij, het verhuist verhuisde
wij verhuizen verhuisden
jullie verhuizen verhuisden
zij verhuizen verhuisden
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verhuisd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was verhuisd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd verhuisd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt verhuisd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal verhuisd worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal verhuisd zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou verhuisd worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou verhuisd zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben verhuisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn verhuisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verhuizen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verhuizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verhuis gebiedende wijs
verhuisd verleden tijd, deelwoord
verhuisd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verhuisd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verhuisd te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verhuisd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verhuisd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verhuisd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verhuisd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verhuisd zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verhuisd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verhuisd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verhuisde verleden tijd
verhuize aanvoegende wijs
verhuizend onvoltooid, deelwoord
waart verhuisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verhuisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verhuisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verhuisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verhuisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verhuisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verhuisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verhuisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verhuisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verhuisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verhuisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verhuisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verhuisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verhuisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verhuisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verhuisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verhuisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verhuisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verhuisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verhuisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verhuisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verhuisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn verhuisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verhuisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verhuisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verhuisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verhuisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verhuisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verhuisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verhuisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verhuisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verhuisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verhuisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verhuisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verhuizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult verhuisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verhuisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verhuizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van huizen met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verhuizen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verhuis gebiedende wijs verhuizen
verhuisd voltooid deelwoord verhuizen
verhuisde verleden tijd verhuizen
verhuisden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verhuizen
verhuist aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verhuizen
verhuize aanvoegende wijs verhuizen
verhuizend onvoltooid deelwoord verhuizen
verhuizende woordvorm verhuizen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhuizen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verhuizen

Wat betekent verhuizen?
Verhuizen is een werkwoord. Het woord betekent: van woonplaats veranderen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je verhuizen?
Je vervoegt verhuizen als volgt: de tegenwoordige tijd is verhuis, de verleden tijd is verhuisde en het voltooid deelwoord is verhuisd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verhuizen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. H 4
  5. U 4
  6. I 1
  7. Z 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verhuizen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. H 4
  5. U 2
  6. I 2
  7. Z 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verhuizen in het kort

verhuizen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van verhuizen zijn 63 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verhuizen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verhuizen: van woonplaats veranderen
Deel verhuizen — standaardnederlands.nl