verhuizen
werkwoordBetekenis
- van woonplaats veranderen
- de inboedel van een ander overbrengen
werkwoord
- van woon- of vestigingsplaats veranderen ergative
Vervoeging van verhuizen
verhuizenhele werkwoord — verhuisdeverleden tijd enkelvoud — verhuisdenverleden tijd meervoud — verhuisdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhuis | verhuisde |
| jij | verhuist | verhuisde |
| hij, zij, het | verhuist | verhuisde |
| wij | verhuizen | verhuisden |
| jullie | verhuizen | verhuisden |
| zij | verhuizen | verhuisden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verhuisd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was verhuisd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd verhuisd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt verhuisd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verhuisd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verhuisd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou verhuisd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou verhuisd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben verhuisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn verhuisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhuizen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhuizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhuis | gebiedende wijs |
| verhuisd | verleden tijd, deelwoord |
| verhuisd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhuisd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhuisd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhuisd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhuisd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhuisd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhuisd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhuisd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhuisd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhuisd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhuisde | verleden tijd |
| verhuize | aanvoegende wijs |
| verhuizend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verhuisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhuisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verhuisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhuisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verhuisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verhuisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verhuisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verhuisd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verhuisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhuisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verhuisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verhuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhuisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhuisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhuisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhuisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhuisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhuisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhuisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhuisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhuisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhuisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhuizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verhuisd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhuisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhuizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van huizen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verhuizen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhuis | gebiedende wijs | verhuizen |
| verhuisd | voltooid deelwoord | verhuizen |
| verhuisde | verleden tijd | verhuizen |
| verhuisden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhuizen |
| verhuist | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verhuizen |
| verhuize | aanvoegende wijs | verhuizen |
| verhuizend | onvoltooid deelwoord | verhuizen |
| verhuizende | woordvorm | verhuizen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhuizen zijn vastgelegd.