verhakken
werkwoordBetekenis
- in stukken hakken
- (schoenen e.d.) van nieuwe hakken voorzien
werkwoord
- van nieuwe hakken voorzien transitive
Vervoeging van verhakken
verhakkenhele werkwoord — verhakteverleden tijd enkelvoud — verhaktenverleden tijd meervoud — verhaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhak | verhakte |
| jij | verhakt | verhakte |
| hij, zij, het | verhakt | verhakte |
| wij | verhakken | verhakten |
| jullie | verhakken | verhakten |
| zij | verhakken | verhakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhak | gebiedende wijs |
| verhakke | aanvoegende wijs |
| verhakkend | onvoltooid, deelwoord |
| verhakt | verleden tijd, deelwoord |
| verhakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhakte | verleden tijd |
| zal verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verhakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verhakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verhakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verhakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verhakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verhakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verhakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verhakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van hakken met het voorvoegsel ver- (1)
Woordfamilie van verhakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhak | gebiedende wijs | verhakken |
| verhakke | aanvoegende wijs | verhakken |
| verhakkend | onvoltooid deelwoord | verhakken |
| verhakkende | woordvorm | verhakken |
| verhakt | voltooid deelwoord | verhakken |
| verhakte | verleden tijd | verhakken |
| verhakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhakken zijn vastgelegd.