vergroeien
werkwoordBetekenis
- veranderen (vaak ten nadele) in een groeiproces
Vervoeging van vergroeien
vergroeienhele werkwoord — vergroeideverleden tijd enkelvoud — vergroeidenverleden tijd meervoud — vergroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vergroei | vergroeide |
| jij | vergroeit | vergroeide |
| hij, zij, het | vergroeit | vergroeide |
| wij | vergroeien | vergroeiden |
| jullie | vergroeien | vergroeiden |
| zij | vergroeien | vergroeiden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te vergroeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn vergroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergroei | gebiedende wijs |
| vergroeid | verleden tijd, deelwoord |
| vergroeid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergroeid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergroeide | verleden tijd |
| vergroeie | aanvoegende wijs |
| vergroeiend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vergroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vergroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vergroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vergroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vergroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vergroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vergroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vergroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vergroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vergroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vergroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vergroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vergroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van groeien met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vergroeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vergroei | gebiedende wijs | vergroeien |
| vergroeid | voltooid deelwoord | vergroeien |
| vergroeide | verleden tijd | vergroeien |
| vergroeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vergroeien |
| vergroeie | aanvoegende wijs | vergroeien |
| vergroeiend | onvoltooid deelwoord | vergroeien |
| vergroeiende | woordvorm | vergroeien |
| vergroeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vergroeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergroeien zijn vastgelegd.