Naar de inhoud

vergiftigen

blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof

vergiftigen

werkwoord vərˈɡɪftəɣə(n)

Betekenis

  1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof

Hoe spreek je vergiftigen uit?

/vərˈgɪftəxən/

Vergiftigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈgɪftəxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
g goal
ɪ pit
f fiets
t tak
x acht
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van vergiftigen

vergiftigenhele werkwoord — vergiftigdeverleden tijd enkelvoud — vergiftigdenverleden tijd meervoud — vergiftigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vergiftig vergiftigde
jij vergiftigt vergiftigde
hij, zij, het vergiftigt vergiftigde
wij vergiftigen vergiftigden
jullie vergiftigen vergiftigden
zij vergiftigen vergiftigden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vergiftigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vergiftigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vergiftigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vergiftigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vergiftigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vergiftigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vergiftigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vergiftigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vergiftigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vergiftigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vergiftigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vergiftigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vergiftigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vergiftigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vergiftigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergiftigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vergiftigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vergiftigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vergiftigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergiftig gebiedende wijs
vergiftigd verleden tijd, deelwoord
vergiftigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vergiftigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vergiftigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergiftigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergiftigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergiftigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vergiftigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vergiftigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergiftigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergiftigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergiftigde verleden tijd
vergiftige aanvoegende wijs
vergiftigend onvoltooid, deelwoord
waart vergiftigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vergiftigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vergiftigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vergiftigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vergiftigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vergiftigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vergiftigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vergiftigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal vergiftigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergiftigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vergiftigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vergiftigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergiftigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vergiftigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vergiftigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergiftigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergiftigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergiftigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergiftigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergiftigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden vergiftigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vergiftigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vergiftigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vergiftigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vergiftigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vergiftigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt vergiftigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vergiftigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen vergiftigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vergiftigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vergiftigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vergiftigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vergiftigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vergiftigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vergiftigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult vergiftigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vergiftigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vergiftigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vergiftigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van giftig met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van vergiftigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vergiftigd voltooid deelwoord vergiftigen
vergiftigde verleden tijd vergiftigen
vergiftigden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vergiftigen
vergiftigend onvoltooid deelwoord vergiftigen
vergiftigende woordvorm vergiftigen
vergiftigt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vergiftigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergiftigen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over vergiftigen

Hoe spreek ik vergiftigen uit?
Zo spreek je vergiftigen uit: /vərˈɡɪftəɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van vergiftigen?
Vergiftigen is een werkwoord. De betekenis is: blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof.
Hoe vervoeg ik vergiftigen?
Zo vervoeg je vergiftigen zo: de tegenwoordige tijd is vergiftig, de verleden tijd is vergiftigde en het voltooid deelwoord is vergiftigd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vergiftigen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. I 1
  6. F 4
  7. T 2
  8. I 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vergiftigen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. I 2
  6. F 4
  7. T 2
  8. I 2
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vergiftigen in het kort

vergiftigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vergiftigen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vergiftigen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vergiftigen: blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
Deel vergiftigen — standaardnederlands.nl