vergenoegen
werkwoordBetekenis
- tevredenstellen
- genoegen doen
Vervoeging van vergenoegen
vergenoegenhele werkwoord — vergenoegdeverleden tijd enkelvoud — vergenoegdenverleden tijd meervoud — vergenoegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vergenoeg | vergenoegde |
| jij | vergenoegt | vergenoegde |
| hij, zij, het | vergenoegt | vergenoegde |
| wij | vergenoegen | vergenoegden |
| jullie | vergenoegen | vergenoegden |
| zij | vergenoegen | vergenoegden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vergenoegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vergenoegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vergenoegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vergenoegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vergenoegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vergenoegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vergenoegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vergenoegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vergenoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vergenoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vergenoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vergenoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vergenoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vergenoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vergenoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergenoegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vergenoegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vergenoegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergenoegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergenoeg | gebiedende wijs |
| vergenoegd | verleden tijd, deelwoord |
| vergenoegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergenoegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergenoegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergenoegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergenoegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergenoegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergenoegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergenoegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergenoegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergenoegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergenoegde | verleden tijd |
| vergenoege | aanvoegende wijs |
| vergenoegend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vergenoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergenoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vergenoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergenoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vergenoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vergenoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vergenoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vergenoegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vergenoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergenoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergenoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vergenoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergenoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vergenoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vergenoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergenoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergenoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergenoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergenoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergenoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vergenoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergenoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergenoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergenoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergenoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergenoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vergenoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergenoegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vergenoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergenoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergenoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergenoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergenoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergenoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergenoegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vergenoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergenoegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergenoegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergenoegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van genoeg met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vergenoegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vergenoeg | gebiedende wijs | vergenoegen |
| vergenoegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vergenoegen |
| vergenoege | aanvoegende wijs | vergenoegen |
| vergenoegend | onvoltooid deelwoord | vergenoegen |
| vergenoegende | woordvorm | vergenoegen |
| vergenoegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vergenoegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergenoegen zijn vastgelegd.