Naar de inhoud

verduidelijken

duidelijker maken

verduidelijken

werkwoord

Betekenis

  1. duidelijker maken

Vervoeging van verduidelijken

verduidelijkenhele werkwoord — verduidelijkteverleden tijd enkelvoud — verduidelijktenverleden tijd meervoud — verduidelijktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verduidelijk verduidelijkte
jij verduidelijkt verduidelijkte
hij, zij, het verduidelijkt verduidelijkte
wij verduidelijken verduidelijkten
jullie verduidelijken verduidelijkten
zij verduidelijken verduidelijkten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verduidelijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verduidelijkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verduidelijkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verduidelijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verduidelijkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verduidelijkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verduidelijkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verduidelijkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verduidelijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verduidelijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verduidelijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verduidelijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verduidelijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verduidelijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verduidelijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verduidelijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verduidelijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verduidelijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verduidelijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verduidelijk gebiedende wijs
verduidelijke aanvoegende wijs
verduidelijkend onvoltooid, deelwoord
verduidelijkt verleden tijd, deelwoord
verduidelijkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verduidelijkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verduidelijkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verduidelijkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verduidelijkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verduidelijkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verduidelijkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verduidelijkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verduidelijkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verduidelijkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verduidelijkte verleden tijd
waart verduidelijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verduidelijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verduidelijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verduidelijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verduidelijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verduidelijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verduidelijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verduidelijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verduidelijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verduidelijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verduidelijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verduidelijkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verduidelijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verduidelijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verduidelijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verduidelijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verduidelijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verduidelijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verduidelijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verduidelijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verduidelijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verduidelijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verduidelijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verduidelijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verduidelijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verduidelijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verduidelijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verduidelijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verduidelijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen verduidelijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verduidelijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verduidelijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verduidelijkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verduidelijkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verduidelijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult verduidelijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult verduidelijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verduidelijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verduidelijkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van duidelijk met het voorvoegsel ver-.

Woordfamilie van verduidelijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verduidelijk gebiedende wijs verduidelijken
verduidelijke aanvoegende wijs verduidelijken
verduidelijkend onvoltooid deelwoord verduidelijken
verduidelijkende woordvorm verduidelijken
verduidelijkt voltooid deelwoord verduidelijken
verduidelijkte verleden tijd verduidelijken
verduidelijkten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verduidelijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verduidelijken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over verduidelijken

Wat betekent verduidelijken?
Verduidelijken is een werkwoord. Het woord betekent: duidelijker maken.
Hoe vervoeg je verduidelijken?
Je vervoegt verduidelijken als volgt: de tegenwoordige tijd is verduidelijk, de verleden tijd is verduidelijkte en het voltooid deelwoord is verduidelijkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verduidelijken is 30 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. U 4
  6. I 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. I 1
  11. J 4
  12. K 3
  13. E 1
  14. N 1
  15. 30 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verduidelijken levert met Wordfeud minimaal 30 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. U 2
  6. I 2
  7. D 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. I 2
  11. J 4
  12. K 3
  13. E 1
  14. N 1
  15. 30 zonder bonus
  16. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verduidelijken in het kort

verduidelijken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van verduidelijken zijn 74 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verduidelijken bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verduidelijken: duidelijker maken
Deel verduidelijken — standaardnederlands.nl