verdubbelen
werkwoord vərˈdʏbələ(n)Betekenis
- tweemaal zo groot worden
- tweemaal zo groot maken, vermenigvuldigen met twee
- zich ~ tweemal zo groot worden.
Hoe spreek je verdubbelen uit?
/vərˈdʏbələn/
Verdubbelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| d | dak |
| ʏ | put |
| b | bak |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verdubbelen
verdubbelenhele werkwoord — verdubbeldeverleden tijd enkelvoud — verdubbeldenverleden tijd meervoud — verdubbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdubbel | verdubbelde |
| jij | verdubbelt | verdubbelde |
| hij, zij, het | verdubbelt | verdubbelde |
| wij | verdubbelen | verdubbelden |
| jullie | verdubbelen | verdubbelden |
| zij | verdubbelen | verdubbelden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdubbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdubbeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdubbeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdubbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdubbeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdubbeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdubbeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdubbeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdubbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdubbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdubbel | gebiedende wijs |
| verdubbel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdubbel u/je , verdubbelt je | gebiedende wijs |
| verdubbeld | verleden tijd, deelwoord |
| verdubbeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdubbeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdubbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdubbeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdubbeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdubbeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdubbeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdubbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdubbeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdubbeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdubbelde | verleden tijd |
| verdubbelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdubbelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdubbelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdubbelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdubbelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdubbelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdubbelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdubbelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdubbelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdubbelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdubbele | aanvoegende wijs |
| verdubbele zich | aanvoegende wijs |
| verdubbelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdubbelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdubbelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdubbelend | onvoltooid, deelwoord |
| verdubbelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdubbelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdubbelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdubbelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdubbelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdubbelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdubbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verdubbelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdubbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdubbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verdubbelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verdubbelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verdubbeld hebben | verleden tijd |
| zich verdubbelend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdubbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdubbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdubbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdubbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdubbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdubbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdubbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdubbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verdubbelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verdubbelen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van dubbelen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verdubbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdubbel | gebiedende wijs | verdubbelen |
| verdubbeld | voltooid deelwoord | verdubbelen |
| verdubbelde | verleden tijd | verdubbelen |
| verdubbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdubbelen |
| verdubbele | aanvoegende wijs | verdubbelen |
| verdubbelend | onvoltooid deelwoord | verdubbelen |
| verdubbelende | woordvorm | verdubbelen |
| verdubbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdubbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdubbelen zijn vastgelegd.