verdietsen
werkwoordBetekenis
- in het Nederlands vertalen
- verduidelijken
Vervoeging van verdietsen
verdietsenhele werkwoord — verdietsteverleden tijd enkelvoud — verdietstenverleden tijd meervoud — verdietstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdiets | verdietste |
| jij | verdietst | verdietste |
| hij, zij, het | verdietst | verdietste |
| wij | verdietsen | verdietsten |
| jullie | verdietsen | verdietsten |
| zij | verdietsen | verdietsten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdietst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdietst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdietst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdietst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdietst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdietst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdietst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdietst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdietst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdietst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdietst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdietst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdietst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdietst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdietsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdiets | gebiedende wijs |
| verdietse | aanvoegende wijs |
| verdietsend | onvoltooid, deelwoord |
| verdietst | verleden tijd, deelwoord |
| verdietst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdietst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdietst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdietst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdietst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdietst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdietst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdietst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdietst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdietst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdietste | verleden tijd |
| waart verdietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdietst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdietst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdietst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdietst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdietst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdietst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdietst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdietst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdietst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdietst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdietst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdietst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdietst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdietst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdietst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdietst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdietst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdietst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verdietst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdietst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdietst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdietst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdietst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdietst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verdietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdietst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdietst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdietst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verdietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdietst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdietst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdietst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verdietst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdietst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verdietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verdietst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdietst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdietst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdietst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdietst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdietst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verdietsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verdietst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdietst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdietst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van Diets met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verdietsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdiets | gebiedende wijs | verdietsen |
| verdietse | aanvoegende wijs | verdietsen |
| verdietsend | onvoltooid deelwoord | verdietsen |
| verdietsende | woordvorm | verdietsen |
| verdietst | voltooid deelwoord | verdietsen |
| verdietste | verleden tijd | verdietsen |
| verdietsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdietsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdietsen zijn vastgelegd.