verdierlijken
werkwoord /vərˈdirləkə/Betekenis
- verworden tot iemand met dierlijke instincten
- dierlijke instincten de overhand doen krijgen
Hoe spreek je verdierlijken uit?
/vərˈdirləkə/
Verdierlijken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| d | dak |
| i | riet |
| l | land |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verdierlijken
verdierlijkenhele werkwoord — verdierlijkteverleden tijd enkelvoud — verdierlijktenverleden tijd meervoud — verdierlijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdierlijk | verdierlijkte |
| jij | verdierlijkt | verdierlijkte |
| hij, zij, het | verdierlijkt | verdierlijkte |
| wij | verdierlijken | verdierlijkten |
| jullie | verdierlijken | verdierlijkten |
| zij | verdierlijken | verdierlijkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdierlijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdierlijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdierlijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdierlijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdierlijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdierlijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdierlijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdierlijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdierlijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdierlijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdierlijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdierlijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdierlijk | gebiedende wijs |
| verdierlijke | aanvoegende wijs |
| verdierlijkend | onvoltooid, deelwoord |
| verdierlijkt | verleden tijd, deelwoord |
| verdierlijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdierlijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdierlijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdierlijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdierlijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdierlijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdierlijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdierlijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdierlijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdierlijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdierlijkte | verleden tijd |
| waart verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdierlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdierlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verdierlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdierlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdierlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdierlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdierlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdierlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verdierlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdierlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdierlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdierlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdierlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdierlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verdierlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdierlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdierlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdierlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdierlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdierlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verdierlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdierlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verdierlijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verdierlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdierlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdierlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdierlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdierlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdierlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verdierlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verdierlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdierlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdierlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van dierlijk met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verdierlijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdierlijk | gebiedende wijs | verdierlijken |
| verdierlijke | aanvoegende wijs | verdierlijken |
| verdierlijkend | onvoltooid deelwoord | verdierlijken |
| verdierlijkende | woordvorm | verdierlijken |
| verdierlijkt | voltooid deelwoord | verdierlijken |
| verdierlijkte | verleden tijd | verdierlijken |
| verdierlijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdierlijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdierlijken zijn vastgelegd.