verdelen
werkwoordBetekenis
- in kleinere stukken uiteendoen
- een geheel in kleinere delen geven aan verschillende mensen of zaken
Vervoeging van verdelen
verdelenhele werkwoord — verdeeldeverleden tijd enkelvoud — verdeeldenverleden tijd meervoud — verdeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdeel | verdeelde |
| jij | verdeelt | verdeelde |
| hij, zij, het | verdeelt | verdeelde |
| wij | verdelen | verdeelden |
| jullie | verdelen | verdeelden |
| zij | verdelen | verdeelden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdeel | gebiedende wijs |
| verdeel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdeel u/je , verdeelt je | gebiedende wijs |
| verdeeld | verleden tijd, deelwoord |
| verdeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdeelde | verleden tijd |
| verdeelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdeelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdeelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdeelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdeelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdeelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdele | aanvoegende wijs |
| verdele zich | aanvoegende wijs |
| verdelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdelend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verdelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verdelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verdelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verdeeld hebben | verleden tijd |
| zich verdelend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verdelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verdelen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van delen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verdelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdeel | gebiedende wijs | verdelen |
| verdeelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdelen |
| verdeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdelen |
| verdele | aanvoegende wijs | verdelen |
| verdelend | onvoltooid deelwoord | verdelen |
| verdelende | woordvorm | verdelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdelen zijn vastgelegd.