verdeemoedigen
werkwoordBetekenis
- tot nederigheid aanzetten
- vernederen
Vervoeging van verdeemoedigen
verdeemoedigenhele werkwoord — verdeemoedigdeverleden tijd enkelvoud — verdeemoedigdenverleden tijd meervoud — verdeemoedigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdeemoedig | verdeemoedigde |
| jij | verdeemoedigt | verdeemoedigde |
| hij, zij, het | verdeemoedigt | verdeemoedigde |
| wij | verdeemoedigen | verdeemoedigden |
| jullie | verdeemoedigen | verdeemoedigden |
| zij | verdeemoedigen | verdeemoedigden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdeemoedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdeemoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdeemoedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdeemoedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdeemoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdeemoedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdeemoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdeemoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdeemoedigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdeemoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdeemoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdeemoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdeemoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdeemoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdeemoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdeemoedigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdeemoedigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdeemoedigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdeemoedig | gebiedende wijs |
| verdeemoedigd | verleden tijd, deelwoord |
| verdeemoedigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdeemoedigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdeemoedigde | verleden tijd |
| verdeemoedige | aanvoegende wijs |
| verdeemoedigend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verdeemoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdeemoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdeemoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verdeemoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdeemoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdeemoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verdeemoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdeemoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdeemoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verdeemoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verdeemoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdeemoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdeemoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdeemoedigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verdeemoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdeemoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van deemoedig met het voorvoegsel ver- of afgeleid van het verouderde werkwoord deemoedigen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verdeemoedigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdeemoedig | gebiedende wijs | verdeemoedigen |
| verdeemoedigd | voltooid deelwoord | verdeemoedigen |
| verdeemoedigde | verleden tijd | verdeemoedigen |
| verdeemoedigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdeemoedigen |
| verdeemoedige | aanvoegende wijs | verdeemoedigen |
| verdeemoedigend | onvoltooid deelwoord | verdeemoedigen |
| verdeemoedigende | woordvorm | verdeemoedigen |
| verdeemoedigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdeemoedigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdeemoedigen zijn vastgelegd.