verburgerlijken
werkwoordBetekenis
- afvlakken tot burgerlijkheid
Vervoeging van verburgerlijken
verburgerlijkenhele werkwoord — verburgerlijkteverleden tijd enkelvoud — verburgerlijktenverleden tijd meervoud — verburgerlijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verburgerlijk | verburgerlijkte |
| jij | verburgerlijkt | verburgerlijkte |
| hij, zij, het | verburgerlijkt | verburgerlijkte |
| wij | verburgerlijken | verburgerlijkten |
| jullie | verburgerlijken | verburgerlijkten |
| zij | verburgerlijken | verburgerlijkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verburgerlijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verburgerlijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verburgerlijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verburgerlijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verburgerlijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verburgerlijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verburgerlijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verburgerlijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verburgerlijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verburgerlijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verburgerlijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verburgerlijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verburgerlijk | gebiedende wijs |
| verburgerlijke | aanvoegende wijs |
| verburgerlijkend | onvoltooid, deelwoord |
| verburgerlijkt | verleden tijd, deelwoord |
| verburgerlijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verburgerlijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verburgerlijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verburgerlijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verburgerlijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verburgerlijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verburgerlijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verburgerlijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verburgerlijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verburgerlijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verburgerlijkte | verleden tijd |
| waart verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verburgerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verburgerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verburgerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verburgerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verburgerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verburgerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verburgerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verburgerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verburgerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verburgerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verburgerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verburgerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verburgerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verburgerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verburgerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verburgerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verburgerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verburgerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verburgerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verburgerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verburgerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verburgerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verburgerlijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verburgerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verburgerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verburgerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verburgerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verburgerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verburgerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verburgerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verburgerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verburgerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verburgerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van burgerlijk met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verburgerlijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verburgerlijk | gebiedende wijs | verburgerlijken |
| verburgerlijke | aanvoegende wijs | verburgerlijken |
| verburgerlijkend | onvoltooid deelwoord | verburgerlijken |
| verburgerlijkende | woordvorm | verburgerlijken |
| verburgerlijkt | voltooid deelwoord | verburgerlijken |
| verburgerlijkte | verleden tijd | verburgerlijken |
| verburgerlijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verburgerlijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verburgerlijken zijn vastgelegd.