verbroederen
werkwoordBetekenis
- bijzonder sterke banden aanknopen
- zich ~: zich als broeders met elkaar verenigen
Vervoeging van verbroederen
verbroederenhele werkwoord — verbroederdeverleden tijd enkelvoud — verbroederdenverleden tijd meervoud — verbroederdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbroeder | verbroederde |
| jij | verbroedert | verbroederde |
| hij, zij, het | verbroedert | verbroederde |
| wij | verbroederen | verbroederden |
| jullie | verbroederen | verbroederden |
| zij | verbroederen | verbroederden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbroederd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbroederd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbroederd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbroederd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbroederd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbroederd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbroederd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbroederd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbroederd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbroederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbroederd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbroederd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbroederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbroederd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbroederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbroederd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbroederd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbroederen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbroederen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbroeder | gebiedende wijs |
| verbroeder me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbroeder u/je , verbroedert je | gebiedende wijs |
| verbroederd | verleden tijd, deelwoord |
| verbroederd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbroederd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbroederd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbroederd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbroederd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbroederd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbroederd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbroederd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbroederd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbroederd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbroederde | verleden tijd |
| verbroederde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbroederde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbroederde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbroederde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbroederde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbroederde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbroederde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbroederden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbroederden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbroederden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbroedere | aanvoegende wijs |
| verbroedere zich | aanvoegende wijs |
| verbroederen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbroederen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbroederen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbroederend | onvoltooid, deelwoord |
| verbroedert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbroedert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbroedert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbroedert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbroedert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbroedert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verbroederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbroederd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbroederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbroederd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbroederd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbroederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbroederd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbroederd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verbroederen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verbroederd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbroederd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbroederd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbroederd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbroederd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verbroederen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verbroederen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verbroederd hebben | verleden tijd |
| zich verbroederend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbroederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbroederd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbroederd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbroederd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbroederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbroederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbroederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verbroederd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbroederd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbroederd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbroederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbroederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbroederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verbroederd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbroederd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbroederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbroederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verbroederen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verbroederen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verbroederd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbroederd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van broeder met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verbroederen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbroeder | gebiedende wijs | verbroederen |
| verbroederd | voltooid deelwoord | verbroederen |
| verbroederde | verleden tijd | verbroederen |
| verbroederden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbroederen |
| verbroedere | aanvoegende wijs | verbroederen |
| verbroederend | onvoltooid deelwoord | verbroederen |
| verbroederende | woordvorm | verbroederen |
| verbroedert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verbroederen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbroederen zijn vastgelegd.