verbeiden
werkwoordBetekenis
- in afwachting van iets geduld oefenen
Vervoeging van verbeiden
verbeidenhele werkwoord — verbeiddeverleden tijd enkelvoud — verbeiddenverleden tijd meervoud — verbeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbeid | verbeidde |
| jij | verbeidt | verbeidde |
| hij, zij, het | verbeidt | verbeidde |
| wij | verbeiden | verbeidden |
| jullie | verbeiden | verbeidden |
| zij | verbeiden | verbeidden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbeid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbeid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbeid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbeid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbeid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbeid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbeiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbeiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeid | gebiedende wijs |
| verbeid | verleden tijd, deelwoord |
| verbeid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbeid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbeid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbeid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbeid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbeidde | verleden tijd |
| verbeide | aanvoegende wijs |
| verbeidend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verbeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verbeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verbeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verbeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verbeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbeiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verbeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbeiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van beiden met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verbeiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbeid | voltooid deelwoord | verbeiden |
| verbeidde | verleden tijd | verbeiden |
| verbeidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbeiden |
| verbeide | aanvoegende wijs | verbeiden |
| verbeidend | onvoltooid deelwoord | verbeiden |
| verbeidende | woordvorm | verbeiden |
| verbeidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verbeiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbeiden zijn vastgelegd.