Naar de inhoud

verbaliseren

een proces-verbaal opmaken

verbaliseren

werkwoord

Betekenis

  1. een proces-verbaal opmaken
  2. onder woorden brengen
  3. een woord uit een andere lexicale categorie tot werkwoord omvormen

Vervoeging van verbaliseren

verbaliserenhele werkwoord — verbaliseerdeverleden tijd enkelvoud — verbaliseerdenverleden tijd meervoud — geverbaliseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verbaliseer verbaliseerde
jij verbaliseert verbaliseerde
hij, zij, het verbaliseert verbaliseerde
wij verbaliseren verbaliseerden
jullie verbaliseren verbaliseerden
zij verbaliseren verbaliseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geverbaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geverbaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geverbaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geverbaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geverbaliseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geverbaliseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geverbaliseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geverbaliseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geverbaliseerd verleden tijd, deelwoord
geverbaliseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geverbaliseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geverbaliseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geverbaliseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geverbaliseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geverbaliseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geverbaliseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geverbaliseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geverbaliseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geverbaliseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geverbaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geverbaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verbaliseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verbaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verbaliseer gebiedende wijs
verbaliseerde verleden tijd
verbalisere aanvoegende wijs
verbaliserend onvoltooid, deelwoord
waart geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geverbaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geverbaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geverbaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geverbaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geverbaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geverbaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geverbaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geverbaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geverbaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geverbaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geverbaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geverbaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geverbaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geverbaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geverbaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geverbaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geverbaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geverbaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geverbaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geverbaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geverbaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geverbaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geverbaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geverbaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geverbaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geverbaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geverbaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geverbaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verbaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geverbaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geverbaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geverbaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verbaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bekeuren’ voor het eerst aangetroffen in 1886

Woordfamilie van verbaliseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geverbaliseerd voltooid deelwoord verbaliseren
geverbaliseerde woordvorm verbaliseren
verbaliseer gebiedende wijs verbaliseren
verbaliseerde verleden tijd verbaliseren
verbaliseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verbaliseren
verbaliseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verbaliseren
verbalisere aanvoegende wijs verbaliseren
verbaliserend onvoltooid deelwoord verbaliseren
verbaliserende woordvorm verbaliseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbaliseren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verbaliseren

Wat betekent verbaliseren?
Verbaliseren is een werkwoord. Het woord betekent: een proces-verbaal opmaken. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je verbaliseren?
Je vervoegt verbaliseren als volgt: de tegenwoordige tijd is verbaliseer, de verleden tijd is verbaliseerde en het voltooid deelwoord is geverbaliseerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verbaliseren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. B 3
  5. A 1
  6. L 3
  7. I 1
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verbaliseren levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. B 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. I 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 zonder bonus
  14. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verbaliseren in het kort

verbaliseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van verbaliseren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verbaliseren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verbaliseren: een proces-verbaal opmaken
Deel verbaliseren — standaardnederlands.nl