verarmen
werkwoordBetekenis
- armer worden
- minder divers worden, in aanbod verminderen
Vervoeging van verarmen
verarmenhele werkwoord — verarmdeverleden tijd enkelvoud — verarmdenverleden tijd meervoud — verarmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verarm | verarmde |
| jij | verarmt | verarmde |
| hij, zij, het | verarmt | verarmde |
| wij | verarmen | verarmden |
| jullie | verarmen | verarmden |
| zij | verarmen | verarmden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verarmd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verarmd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verarmd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verarmd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verarmd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verarmd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verarmd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verarmd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verarmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verarmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verarmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verarm | gebiedende wijs |
| verarmd | verleden tijd, deelwoord |
| verarmd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verarmd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verarmd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verarmd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verarmd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verarmd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verarmd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verarmd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verarmd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verarmd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verarmde | verleden tijd |
| verarme | aanvoegende wijs |
| verarmend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verarmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verarmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van arm met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verarmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verarm | gebiedende wijs | verarmen |
| verarmd | voltooid deelwoord | verarmen |
| verarmde | verleden tijd | verarmen |
| verarmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verarmen |
| verarme | aanvoegende wijs | verarmen |
| verarmend | onvoltooid deelwoord | verarmen |
| verarmende | woordvorm | verarmen |
| verarmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verarmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verarmen zijn vastgelegd.