vegen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- zonder water schoonmaken met een borstel
- door ergens langs te strijken verplaatsen of verwijderen
Vervoeging van vegen
vegenhele werkwoord — veegdeverleden tijd enkelvoud — veegdenverleden tijd meervoud — geveegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | veeg | veegde |
| jij | veegt | veegde |
| hij, zij, het | veegt | veegde |
| wij | vegen | veegden |
| jullie | vegen | veegden |
| zij | vegen | veegden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geveegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geveegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geveegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geveegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geveegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geveegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geveegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geveegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geveegd | verleden tijd, deelwoord |
| geveegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geveegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geveegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geveegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geveegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geveegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geveegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geveegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geveegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geveegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geveegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geveegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geveegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geveegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geveegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geveegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geveegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geveegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veeg | gebiedende wijs |
| veegde | verleden tijd |
| vege | aanvoegende wijs |
| vegend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geveegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geveegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geveegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geveegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geveegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geveegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geveegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geveegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geveegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geveegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geveegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geveegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geveegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geveegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord veeg
Herkomst
In de betekenis van ‘bezemen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geveegd | voltooid deelwoord | vegen |
| geveegde | woordvorm | vegen |
| veegde | verleden tijd | vegen |
| veegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vegen |
| veegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vegen zijn vastgelegd.