vastspelden
werkwoordBetekenis
- met een of meer spelden vastmaken
Vervoeging van vastspelden
vastspeldenhele werkwoord — speldde vastverleden tijd enkelvoud — speldden vastverleden tijd meervoud — vastgespeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speld vast | speldde vast |
| jij | speldt vast | speldde vast |
| hij, zij, het | speldt vast | speldde vast |
| wij | spelden vast | speldden vast |
| jullie | spelden vast | speldden vast |
| zij | spelden vast | speldden vast |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| speld vast | gebiedende wijs |
| speldde vast | verleden tijd |
| te hebben vastgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastspelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te spelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal spelden | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen spelden | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult spelden | bijzin, toekomende tijd |
| vastgespeld | verleden tijd, deelwoord |
| vastgespeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgespeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastspeld | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastspeldde | bijzin, verleden tijd |
| vastspeldden | bijzin, verleden tijd |
| vastspeldend | onvoltooid, deelwoord |
| vastspeldt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal vastgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zou vastgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastspelden vast zou(dt) spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vastgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastspelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vastspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vastspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vastspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vastspelden vast zult/zal spelden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vast en spelden
Woordfamilie van vastspelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speld vast | gebiedende wijs | vastspelden |
| speldde vast | verleden tijd | vastspelden |
| speldden vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastspelden |
| spelde vast | woordvorm | vastspelden |
| spelden vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastspelden |
| speldt vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vastspelden |
| vastgespeld | voltooid deelwoord | vastspelden |
| vastgespelde | woordvorm | vastspelden |
| vastspeld | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastspelden |
| vastspeldde | subordinate-clause, verleden tijd | vastspelden |
| vastspeldden | subordinate-clause, verleden tijd | vastspelden |
| vastspelde | with-subordinate-clause | vastspelden |
| vastspeldend | onvoltooid deelwoord | vastspelden |
| vastspeldende | woordvorm | vastspelden |
| vastspeldt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastspelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastspelden zijn vastgelegd.