Naar de inhoud

vastnemen

stevig grijpen

vastnemen

werkwoord ˈvɑstnemə(n)

Betekenis

  1. stevig grijpen
  2. vastpakken en niet meer laten gaan
  3. met iemand een grap uithalen door hem iets te laten geloven dat niet waar is

Hoe spreek je vastnemen uit?

/ˈvɑstnemən/

Vastnemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvɑstnemən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ɑ bad
s sok
t tak
n nek
e veel
m maan
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van vastnemen

vastnemenhele werkwoord — nam vastverleden tijd enkelvoud — namen vastverleden tijd meervoud — vastgenomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik neem vast nam vast
jij neemt vast naamt vast
hij, zij, het neemt vast nam vast
wij nemen vast namen vast
jullie nemen vast namen vast
zij nemen vast namen vast
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had vastgenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgenomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgenomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgenomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgenomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgenomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
nam vast verleden tijd
neem vast gebiedende wijs
te hebben vastgenomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastnemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te nemen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen nemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal nemen bijzin, toekomende tijd
vast zou nemen bijzin, voorwaardelijk
vast zouden nemen bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt nemen bijzin, voorwaardelijk
vast zullen nemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen nemen bijzin, toekomende tijd
vast zult nemen bijzin, toekomende tijd
vastgenomen verleden tijd, deelwoord
vastgenomen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgenomen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastnaamt bijzin, verleden tijd
vastnam bijzin, verleden tijd
vastnamen bijzin, verleden tijd
vastneem bijzin, tegenwoordige tijd
vastneemt bijzin, tegenwoordige tijd
vastnemend onvoltooid, deelwoord
zal vastgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastnemen bijzin, toekomende tijd
zou vastgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastnemen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastnemen vast zou(dt) nemen bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastnemen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgenomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastnemen bijzin, voorwaardelijk
zullen vastgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastnemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastnemen bijzin, toekomende tijd
zult vastgenomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vastnemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vastnemen bijzin, toekomende tijd
zult/zal vastnemen vast zult/zal nemen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vast bw en nemen ww

Woordfamilie van vastnemen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
nam vast verleden tijd vastnemen
namen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastnemen
neem vast gebiedende wijs vastnemen
neemt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastnemen
neme vast woordvorm vastnemen
nemen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastnemen
vastgenomen voltooid deelwoord vastnemen
vastnaamt subordinate-clause, verleden tijd vastnemen
vastnam subordinate-clause, verleden tijd vastnemen
vastnamen subordinate-clause, verleden tijd vastnemen
vastneem subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastnemen
vastneemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastnemen
vastneme with-subordinate-clause vastnemen
vastnemend onvoltooid deelwoord vastnemen
vastnemende woordvorm vastnemen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastnemen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastnemen

Hoe spreek je vastnemen uit?
De uitspraak van vastnemen is: /ˈvɑstnemə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent vastnemen?
Vastnemen is een werkwoord. Het woord betekent: stevig grijpen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vastnemen?
Je vervoegt vastnemen als volgt: het voltooid deelwoord is vastgenomen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastnemen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. N 1
  6. E 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastnemen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. N 1
  6. E 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastnemen in het kort

vastnemen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vastnemen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vastnemen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vastnemen: stevig grijpen
Deel vastnemen — standaardnederlands.nl