valoriseren
werkwoordBetekenis
- een waarde geven, waarderen of herwaarderen
werkwoord
- een waarde geven aan, waarderen of herwaarderen transitive
Vervoeging van valoriseren
valoriserenhele werkwoord — valoriseerdeverleden tijd enkelvoud — valoriseerdenverleden tijd meervoud — gevaloriseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | valoriseer | valoriseerde |
| jij | valoriseert | valoriseerde |
| hij, zij, het | valoriseert | valoriseerde |
| wij | valoriseren | valoriseerden |
| jullie | valoriseren | valoriseerden |
| zij | valoriseren | valoriseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevaloriseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevaloriseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevaloriseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevaloriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevaloriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevaloriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevaloriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevaloriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevaloriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevaloriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevaloriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevaloriseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevaloriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevaloriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevaloriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevaloriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevaloriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevaloriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevaloriseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te valoriseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen valoriseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| valoriseer | gebiedende wijs |
| valoriseerde | verleden tijd |
| valorisere | aanvoegende wijs |
| valoriserend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevaloriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevaloriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevaloriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevaloriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevaloriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevaloriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevaloriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevaloriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevaloriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevaloriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevaloriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevaloriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevaloriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen valoriseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevaloriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult valoriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse valoriser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van valoriseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevaloriseerd | voltooid deelwoord | valoriseren |
| valoriseer | gebiedende wijs | valoriseren |
| valoriseerde | verleden tijd | valoriseren |
| valoriseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | valoriseren |
| valoriseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | valoriseren |
| valorisere | aanvoegende wijs | valoriseren |
| valoriserend | onvoltooid deelwoord | valoriseren |
| valoriserende | woordvorm | valoriseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van valoriseren zijn vastgelegd.