uitzweren
werkwoordBetekenis
- door zweren het lichaam verlaten
Vervoeging van uitzweren
uitzwerenhele werkwoord — zweerde uitverleden tijd enkelvoud — zweerden uitverleden tijd meervoud — uitgezworenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zweer uit | zweerde uit |
| jij | zweert uit | zweerde uit |
| hij, zij, het | zweert uit | zweerde uit |
| wij | zweren uit | zweerden uit |
| jullie | zweren uit | zweerden uit |
| zij | zweren uit | zweerden uit |
Alle 78 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgezworen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zullen zweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zweren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit zal zweren | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zweren | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zweren | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezworen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezworen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezworen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzweer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzweerde | bijzin, verleden tijd |
| uitzweerden | bijzin, verleden tijd |
| uitzweert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzwerend | onvoltooid, deelwoord |
| uitzwoor | bijzin, verleden tijd |
| uitzworen | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzweren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgezworen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzweren uit zou(dt) zweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzweren | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitzweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitzweren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitzweren uit zult/zal zweren | bijzin, toekomende tijd |
| zweer uit | gebiedende wijs |
| zweerde uit | verleden tijd |
| zwoor uit | verleden tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en zweren ww
Woordfamilie van uitzweren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezworen | voltooid deelwoord | uitzweren |
| uitzweer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzweren |
| uitzweerde | subordinate-clause, verleden tijd | uitzweren |
| uitzweerden | subordinate-clause, verleden tijd | uitzweren |
| uitzweert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzweren |
| uitzwere | with-subordinate-clause | uitzweren |
| uitzwerend | onvoltooid deelwoord | uitzweren |
| uitzwerende | woordvorm | uitzweren |
| uitzwoor | subordinate-clause, verleden tijd | uitzweren |
| uitzworen | subordinate-clause, verleden tijd | uitzweren |
| zweer uit | gebiedende wijs | uitzweren |
| zweerde uit | verleden tijd | uitzweren |
| zweerden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzweren |
| zweert uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzweren |
| zwere uit | woordvorm | uitzweren |
| zweren uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzweren |
| zwoor uit | verleden tijd | uitzweren |
| zworen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzweren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzweren zijn vastgelegd.