Naar de inhoud

uitzweren

door zweren het lichaam verlaten

uitzweren

werkwoord

Betekenis

  1. door zweren het lichaam verlaten

Vervoeging van uitzweren

uitzwerenhele werkwoord — zweerde uitverleden tijd enkelvoud — zweerden uitverleden tijd meervoud — uitgezworenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zweer uit zweerde uit
jij zweert uit zweerde uit
hij, zij, het zweert uit zweerde uit
wij zweren uit zweerden uit
jullie zweren uit zweerden uit
zij zweren uit zweerden uit
Alle 78 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgezworen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitzweren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te zullen zweren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te zweren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit zal zweren bijzin, toekomende tijd
uit zou zweren bijzin, voorwaardelijk
uit zouden zweren bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt zweren bijzin, voorwaardelijk
uit zullen zweren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen zweren bijzin, toekomende tijd
uit zult zweren bijzin, toekomende tijd
uitgezworen verleden tijd, deelwoord
uitgezworen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezworen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitzweer bijzin, tegenwoordige tijd
uitzweerde bijzin, verleden tijd
uitzweerden bijzin, verleden tijd
uitzweert bijzin, tegenwoordige tijd
uitzwerend onvoltooid, deelwoord
uitzwoor bijzin, verleden tijd
uitzworen bijzin, verleden tijd
waart uitgezworen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezworen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgezworen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezworen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgezworen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgezworen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgezworen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitgezworen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezworen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgezworen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitzweren bijzin, toekomende tijd
zijn uitgezworen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgezworen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgezworen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezworen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezworen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitzweren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitzweren uit zou(dt) zweren bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgezworen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezworen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezworen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitzweren bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgezworen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitzweren bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgezworen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezworen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezworen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitzweren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitzweren bijzin, toekomende tijd
zult uitgezworen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitzweren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitzweren bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitzweren uit zult/zal zweren bijzin, toekomende tijd
zweer uit gebiedende wijs
zweerde uit verleden tijd
zwoor uit verleden tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en zweren ww

Woordfamilie van uitzweren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgezworen voltooid deelwoord uitzweren
uitzweer subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitzweren
uitzweerde subordinate-clause, verleden tijd uitzweren
uitzweerden subordinate-clause, verleden tijd uitzweren
uitzweert subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitzweren
uitzwere with-subordinate-clause uitzweren
uitzwerend onvoltooid deelwoord uitzweren
uitzwerende woordvorm uitzweren
uitzwoor subordinate-clause, verleden tijd uitzweren
uitzworen subordinate-clause, verleden tijd uitzweren
zweer uit gebiedende wijs uitzweren
zweerde uit verleden tijd uitzweren
zweerden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitzweren
zweert uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitzweren
zwere uit woordvorm uitzweren
zweren uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitzweren
zwoor uit verleden tijd uitzweren
zworen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitzweren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzweren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitzweren

Wat is de betekenis van uitzweren?
Uitzweren is een werkwoord. De betekenis is: door zweren het lichaam verlaten.
Hoe vervoeg ik uitzweren?
Zo vervoeg je uitzweren zo: het voltooid deelwoord is uitgezworen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitzweren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. Z 4
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitzweren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. Z 5
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitzweren in het kort

uitzweren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitzweren staan er 50 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitzweren bij een woordfamilie van 18 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitzweren: door zweren het lichaam verlaten
Deel uitzweren — standaardnederlands.nl