uitzenden
werkwoord ˈœytsɛndə(n)Betekenis
- als bron van straling werken
- informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een televisieprogramma op afstand toegankelijk maken
- naar het buitenland sturen voor bepaalde werkzaamheden
Hoe spreek je uitzenden uit?
/ˈœytsɛndən/
Uitzenden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitzenden
uitzendenhele werkwoord — zond uitverleden tijd enkelvoud — zonden uitverleden tijd meervoud — uitgezondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zend uit | zond uit |
| jij | zendt uit | zond uit |
| hij, zij, het | zendt uit | zond uit |
| wij | zenden uit | zonden uit |
| jullie | zenden uit | zonden uit |
| zij | zenden uit | zonden uit |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgezonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgezonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgezonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgezonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zenden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zenden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zenden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezonden | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzend | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzendend | onvoltooid, deelwoord |
| uitzendt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzond | bijzin, verleden tijd |
| uitzonden | bijzin, verleden tijd |
| uitzondt | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzenden | bijzin, toekomende tijd |
| zend uit | gebiedende wijs |
| zijn uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zond uit | verleden tijd |
| zou uitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzenden uit zou(dt) zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzenden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en zenden ww
Woordfamilie van uitzenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezonden | voltooid deelwoord | uitzenden |
| uitzend | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzenden |
| uitzende | with-subordinate-clause | uitzenden |
| uitzendend | onvoltooid deelwoord | uitzenden |
| uitzendende | woordvorm | uitzenden |
| uitzendt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzenden |
| uitzond | subordinate-clause, verleden tijd | uitzenden |
| uitzonden | subordinate-clause, verleden tijd | uitzenden |
| zend uit | gebiedende wijs | uitzenden |
| zende uit | woordvorm | uitzenden |
| zenden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzenden |
| zendt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzenden |
| zond uit | verleden tijd | uitzenden |
| zonden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzenden zijn vastgelegd.