Naar de inhoud

uitwerken

nauwkeuriger maken van wat al in grote lijnen is bepaald

uitwerken

werkwoord ˈœytwɛrkə(n)

Betekenis

  1. nauwkeuriger maken van wat al in grote lijnen is bepaald

Hoe spreek je uitwerken uit?

/ˈœytwɛrkən/

Uitwerken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytwɛrkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
w quiz
ɛ bed
r rood
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitwerken

uitwerkenhele werkwoord — werkte uitverleden tijd enkelvoud — werkten uitverleden tijd meervoud — uitgewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk uit werkte uit
jij werkt uit werkte uit
hij, zij, het werkt uit werkte uit
wij werken uit werkten uit
jullie werken uit werkten uit
zij werken uit werkten uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgewerkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgewerkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgewerkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgewerkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgewerkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgewerkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal werken bijzin, toekomende tijd
uit zou werken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden werken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt werken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen werken bijzin, toekomende tijd
uit zult werken bijzin, toekomende tijd
uitgewerkt verleden tijd, deelwoord
uitgewerkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgewerkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgewerkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgewerkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgewerkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgewerkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgewerkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgewerkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitwerk bijzin, tegenwoordige tijd
uitwerkend onvoltooid, deelwoord
uitwerkt bijzin, tegenwoordige tijd
uitwerkte bijzin, verleden tijd
uitwerkten bijzin, verleden tijd
waart uitgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werk uit gebiedende wijs
werkte uit verleden tijd
word uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitwerken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitwerken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitwerken uit zou(dt) werken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitwerken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitwerken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitwerken bijzin, toekomende tijd
zult uitgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en werken

Woordfamilie van uitwerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitwerk subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitwerken
uitwerke with-subordinate-clause uitwerken
uitwerkend onvoltooid deelwoord uitwerken
uitwerkende woordvorm uitwerken
uitwerkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitwerken
uitwerkte subordinate-clause, verleden tijd uitwerken
uitwerkten subordinate-clause, verleden tijd uitwerken
werk uit gebiedende wijs uitwerken
werke uit woordvorm uitwerken
werken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitwerken
werkt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitwerken
werkte uit verleden tijd uitwerken
werkten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitwerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwerken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitwerken

Hoe spreek ik uitwerken uit?
Zo spreek je uitwerken uit: /ˈœytwɛrkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitwerken?
Uitwerken is een werkwoord. De betekenis is: nauwkeuriger maken van wat al in grote lijnen is bepaald.
Hoe vervoeg ik uitwerken?
Zo vervoeg je uitwerken zo: het voltooid deelwoord is uitgewerkt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitwerken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitwerken levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitwerken in het kort

uitwerken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitwerken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitwerken bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitwerken: nauwkeuriger maken van wat al in grote lijnen is bepaald
Deel uitwerken — standaardnederlands.nl