uitwaaien
werkwoord ˈœytwajə(n)Betekenis
- door de wind gedoofd worden
- zich in de wind ontplooien
- zich opfrissen door in de wind lopen
- door waaien doven
Hoe spreek je uitwaaien uit?
/ˈœytwajən/
Uitwaaien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| w | quiz |
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitwaaien
uitwaaienhele werkwoord — waaide uitverleden tijd enkelvoud — waaiden uitverleden tijd meervoud — uitgewaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waai uit | waaide uit |
| jij | waait uit | waaide uit |
| hij, zij, het | waait uit | waaide uit |
| wij | waaien uit | waaiden uit |
| jullie | waaien uit | waaiden uit |
| zij | waaien uit | waaiden uit |
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgewaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgewaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgewaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgewaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgewaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgewaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te waaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal waaien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen waaien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult waaien | bijzin, toekomende tijd |
| uitgewaaid | verleden tijd, deelwoord |
| uitgewaaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewaaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewaaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewaaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewaaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewaaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewaaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewaaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitwaai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwaaide | bijzin, verleden tijd |
| uitwaaiden | bijzin, verleden tijd |
| uitwaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| uitwaait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwoei | bijzin, verleden tijd |
| uitwoeien | bijzin, verleden tijd |
| waai uit | gebiedende wijs |
| waaide uit | verleden tijd |
| waart uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| woei uit | verleden tijd |
| word uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgewaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitwaaien uit zou(dt) waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgewaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgewaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en waaien
Woordfamilie van uitwaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgewaaid | voltooid deelwoord | uitwaaien |
| uitgewaaide | woordvorm | uitwaaien |
| uitwaai | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwaaien |
| uitwaaide | subordinate-clause, verleden tijd | uitwaaien |
| uitwaaiden | subordinate-clause, verleden tijd | uitwaaien |
| uitwaaie | with-subordinate-clause | uitwaaien |
| uitwaaiend | onvoltooid deelwoord | uitwaaien |
| uitwaaiende | woordvorm | uitwaaien |
| uitwaait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwaaien |
| uitwoei | subordinate-clause, verleden tijd | uitwaaien |
| uitwoeien | subordinate-clause, verleden tijd | uitwaaien |
| waai uit | gebiedende wijs | uitwaaien |
| waaide uit | verleden tijd | uitwaaien |
| waaiden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitwaaien |
| waaie uit | woordvorm | uitwaaien |
| waaien uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitwaaien |
| waait uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitwaaien |
| woei uit | verleden tijd | uitwaaien |
| woeien uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitwaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwaaien zijn vastgelegd.