Naar de inhoud

uitvogelen

Iets uitzoeken, uitdokteren vaak op een meer praktische en effectieve dan streng wetenschappelijke manier.

uitvogelen

werkwoord

Betekenis

  1. Iets uitzoeken, uitdokteren vaak op een meer praktische en effectieve dan streng wetenschappelijke manier.

Vervoeging van uitvogelen

uitvogelenhele werkwoord — vogelde uitverleden tijd enkelvoud — vogelden uitverleden tijd meervoud — uitgevogeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vogel uit vogelde uit
jij vogelt uit vogelde uit
hij, zij, het vogelt uit vogelde uit
wij vogelen uit vogelden uit
jullie vogelen uit vogelden uit
zij vogelen uit vogelden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgevogeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgevogeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgevogeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgevogeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgevogeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgevogeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgevogeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgevogeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgevogeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgevogeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgevogeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgevogeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgevogeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgevogeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgevogeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevogeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgevogeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitvogelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te vogelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen vogelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal vogelen bijzin, toekomende tijd
uit zou vogelen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden vogelen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt vogelen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen vogelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen vogelen bijzin, toekomende tijd
uit zult vogelen bijzin, toekomende tijd
uitgevogeld verleden tijd, deelwoord
uitgevogeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgevogeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgevogeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevogeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevogeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevogeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgevogeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgevogeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgevogeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgevogeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitvogel bijzin, tegenwoordige tijd
uitvogelde bijzin, verleden tijd
uitvogelden bijzin, verleden tijd
uitvogelend onvoltooid, deelwoord
uitvogelt bijzin, tegenwoordige tijd
vogel uit gebiedende wijs
vogelde uit verleden tijd
waart uitgevogeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevogeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgevogeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevogeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgevogeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgevogeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgevogeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgevogeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgevogeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevogeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgevogeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgevogeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevogeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitvogelen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgevogeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgevogeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevogeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevogeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevogeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevogeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevogeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitvogelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitvogelen uit zou(dt) vogelen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgevogeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevogeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevogeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgevogeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevogeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevogeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitvogelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgevogeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgevogeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitvogelen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgevogeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevogeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevogeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgevogeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgevogeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevogeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevogeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvogelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitvogelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitvogelen bijzin, toekomende tijd
zult uitgevogeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en vogelen

Woordfamilie van uitvogelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgevogeld voltooid deelwoord uitvogelen
uitgevogelde woordvorm uitvogelen
uitvogel subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvogelen
uitvogelde subordinate-clause, verleden tijd uitvogelen
uitvogelden subordinate-clause, verleden tijd uitvogelen
uitvogele with-subordinate-clause uitvogelen
uitvogelend onvoltooid deelwoord uitvogelen
uitvogelende woordvorm uitvogelen
uitvogelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvogelen
vogel uit gebiedende wijs uitvogelen
vogelde uit verleden tijd uitvogelen
vogelden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitvogelen
vogele uit woordvorm uitvogelen
vogelen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitvogelen
vogelt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitvogelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvogelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitvogelen

Wat betekent uitvogelen?
Uitvogelen is een werkwoord. Het woord betekent: Iets uitzoeken, uitdokteren vaak op een meer praktische en effectieve dan streng wetenschappelijke manier.
Hoe vervoeg je uitvogelen?
Je vervoegt uitvogelen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgevogeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitvogelen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. O 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitvogelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. V 4
  5. O 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitvogelen in het kort

uitvogelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitvogelen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitvogelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitvogelen: Iets uitzoeken, uitdokteren vaak op een meer praktische en effectieve dan streng wetenschappelijke manier.
Deel uitvogelen — standaardnederlands.nl