Naar de inhoud

uitvaardigen

een voorschrift openbaar maken

uitvaardigen

werkwoord

Betekenis

  1. een voorschrift openbaar maken

Vervoeging van uitvaardigen

uitvaardigenhele werkwoord — vaardigde uitverleden tijd enkelvoud — vaardigden uitverleden tijd meervoud — uitgevaardigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vaardig uit vaardigde uit
jij vaardigt uit vaardigde uit
hij, zij, het vaardigt uit vaardigde uit
wij vaardigen uit vaardigden uit
jullie vaardigen uit vaardigden uit
zij vaardigen uit vaardigden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgevaardigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgevaardigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgevaardigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgevaardigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgevaardigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgevaardigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgevaardigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgevaardigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevaardigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgevaardigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitvaardigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te vaardigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen vaardigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal vaardigen bijzin, toekomende tijd
uit zou vaardigen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden vaardigen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt vaardigen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen vaardigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen vaardigen bijzin, toekomende tijd
uit zult vaardigen bijzin, toekomende tijd
uitgevaardigd verleden tijd, deelwoord
uitgevaardigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgevaardigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgevaardigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevaardigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevaardigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevaardigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgevaardigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgevaardigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgevaardigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgevaardigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitvaardig bijzin, tegenwoordige tijd
uitvaardigde bijzin, verleden tijd
uitvaardigden bijzin, verleden tijd
uitvaardigend onvoltooid, deelwoord
uitvaardigt bijzin, tegenwoordige tijd
vaardig uit gebiedende wijs
vaardigde uit verleden tijd
waart uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgevaardigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgevaardigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgevaardigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevaardigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgevaardigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgevaardigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevaardigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitvaardigen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgevaardigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgevaardigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevaardigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevaardigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevaardigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevaardigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevaardigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitvaardigen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitvaardigen uit zou(dt) vaardigen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgevaardigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevaardigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevaardigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgevaardigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevaardigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevaardigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitvaardigen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgevaardigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgevaardigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitvaardigen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgevaardigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevaardigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevaardigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgevaardigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgevaardigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevaardigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevaardigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvaardigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitvaardigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitvaardigen bijzin, toekomende tijd
zult uitgevaardigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘afkondigen’ voor het eerst aangetroffen in 1803

Woordfamilie van uitvaardigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgevaardigd voltooid deelwoord uitvaardigen
uitvaardig subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvaardigen
uitvaardigde subordinate-clause, verleden tijd uitvaardigen
uitvaardigden subordinate-clause, verleden tijd uitvaardigen
uitvaardige with-subordinate-clause uitvaardigen
uitvaardigend onvoltooid deelwoord uitvaardigen
uitvaardigende woordvorm uitvaardigen
uitvaardigt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvaardigen
vaardig uit gebiedende wijs uitvaardigen
vaardigde uit verleden tijd uitvaardigen
vaardigden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitvaardigen
vaardige uit woordvorm uitvaardigen
vaardigen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitvaardigen
vaardigt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitvaardigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvaardigen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitvaardigen

Wat betekent uitvaardigen?
Uitvaardigen is een werkwoord. Het woord betekent: een voorschrift openbaar maken.
Hoe vervoeg je uitvaardigen?
Je vervoegt uitvaardigen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgevaardigd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitvaardigen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. A 1
  6. A 1
  7. R 2
  8. D 2
  9. I 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitvaardigen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. V 4
  5. A 1
  6. A 1
  7. R 2
  8. D 2
  9. I 2
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitvaardigen in het kort

uitvaardigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitvaardigen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitvaardigen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitvaardigen: een voorschrift openbaar maken
Deel uitvaardigen — standaardnederlands.nl