uittrap
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- met een trap de bal weer in het spel brengen door de keeper
zelfstandig naamwoord — masculine
- spelhervatting waarbij de verdedigende partij de bal door middel van een schot weer in het spel brengt als de aanvallende partij de bal over de achterlijn heeft gebracht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uittrapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uittrapjes | verkleinwoord, meervoud |
| uittrappen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uittrappen
Vervoeging van uittrap
uittraphele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van uittrappen
Woordfamilie van uittrap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uittrapje | verkleinwoord | uittrap |
| uittrapjes | verkleinwoord meervoud | uittrap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uittrap zijn vastgelegd.