uitspuiten
werkwoordBetekenis
- door met kracht te spuiten iets schoonmaken of deblokkeren
- een vloeistof wijd verspreid lozen
- spuitend naar buiten treden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van uitspuiten
uitspuitenhele werkwoord — spoot uitverleden tijd enkelvoud — spoten uitverleden tijd meervoud — uitgespotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spuit uit | spoot uit |
| jij | spuit uit | spoot uit |
| hij, zij, het | spuit uit | spoot uit |
| wij | spuiten uit | spoten uit |
| jullie | spuiten uit | spoten uit |
| zij | spuiten uit | spoten uit |
Alle 117 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgespoten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was uitgespoten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd uitgespoten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt uitgespoten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal uitgespoten worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal uitgespoten zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou uitgespoten worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou uitgespoten zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben uitgespoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spoot uit | verleden tijd |
| spuit uit | gebiedende wijs |
| te hebben/zijn uitgespoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitspuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te spuiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen spuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal spuiten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen spuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen spuiten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult spuiten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgespoten | verleden tijd, deelwoord |
| uitgespoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespoten te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespoten zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitspoot | bijzin, verleden tijd |
| uitspoten | bijzin, verleden tijd |
| uitspuit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitspuitend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgespoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgespoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgespoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgespoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitspuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgespoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgespoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitspuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitspuiten uit zou(dt) spuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitspuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgespoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitspuiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitspuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitspuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgespoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgespoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitspuiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitspuiten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitspuiten uit zult/zal spuiten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en spuiten ww
Woordfamilie van uitspuiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spoot uit | verleden tijd | uitspuiten |
| spoten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitspuiten |
| spuit uit | gebiedende wijs | uitspuiten |
| spuite uit | woordvorm | uitspuiten |
| spuiten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitspuiten |
| uitgespoten | voltooid deelwoord | uitspuiten |
| uitspoot | subordinate-clause, verleden tijd | uitspuiten |
| uitspoten | subordinate-clause, verleden tijd | uitspuiten |
| uitspuit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitspuiten |
| uitspuite | with-subordinate-clause | uitspuiten |
| uitspuitend | onvoltooid deelwoord | uitspuiten |
| uitspuitende | woordvorm | uitspuiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspuiten zijn vastgelegd.