uitspitten
werkwoordBetekenis
- door te spitten eruit halen
- zeer gedetailleerd onderzoeken
Vervoeging van uitspitten
uitspittenhele werkwoord — spitte uitverleden tijd enkelvoud — spitten uitverleden tijd meervoud — uitgespitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spit uit | spitte uit |
| jij | spit uit | spitte uit |
| hij, zij, het | spit uit | spitte uit |
| wij | spitten uit | spitten uit |
| jullie | spitten uit | spitten uit |
| zij | spitten uit | spitten uit |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgespit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgespit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgespit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgespit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgespit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgespit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgespit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgespit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgespit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spit uit | gebiedende wijs |
| spitte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgespit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitspitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te spitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen spitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal spitten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen spitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen spitten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult spitten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgespit | verleden tijd, deelwoord |
| uitgespit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitspit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitspitte | bijzin, verleden tijd |
| uitspittend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitspitten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitspitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitspitten uit zou(dt) spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitspitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitspitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitspitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitspitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van uitspitten
Vervoeging van uitspitten
uitspittenhele werkwoord — spitte uitverleden tijd enkelvoud — spitten uitverleden tijd meervoud — uitgespitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spit uit | spitte uit |
| jij | spit uit | spitte uit |
| hij, zij, het | spit uit | spitte uit |
| wij | spitten uit | spitten uit |
| jullie | spitten uit | spitten uit |
| zij | spitten uit | spitten uit |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgespit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgespit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgespit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgespit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgespit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgespit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgespit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgespit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgespit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spit uit | gebiedende wijs |
| spitte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgespit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitspitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te spitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen spitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal spitten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen spitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen spitten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult spitten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgespit | verleden tijd, deelwoord |
| uitgespit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitspit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitspitte | bijzin, verleden tijd |
| uitspittend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgespit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitspitten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitspitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitspitten uit zou(dt) spitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitspitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgespit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitspitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitspitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitspitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitspitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgespit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgespit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en spitten
Woordfamilie van uitspitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spit uit | gebiedende wijs | uitspitten |
| spitte uit | verleden tijd | uitspitten |
| spitten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitspitten |
| uitgespit | voltooid deelwoord | uitspitten |
| uitgespitte | woordvorm | uitspitten |
| uitspit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitspitten |
| uitspitte | subordinate-clause, verleden tijd | uitspitten |
| uitspittend | onvoltooid deelwoord | uitspitten |
| uitspittende | woordvorm | uitspitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspitten zijn vastgelegd.