uitschrijven
werkwoord ˈœytsxrɛivə(n)Betekenis
- uit een register verwijderen
- een cheque of wedstrijd doen verschijnen
- het schrijven beëindigen
Hoe spreek je uitschrijven uit?
/ˈœytsxrɛivən/
Uitschrijven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| x | acht |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een cheque, ander officieel geschrift of wedstrijd doen verschijnen transitive
Vervoeging van uitschrijven
uitschrijvenhele werkwoord — schreef uitverleden tijd enkelvoud — schreven uitverleden tijd meervoud — uitgeschrevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrijf uit | schreef uit |
| jij | schrijft uit | schreef uit |
| hij, zij, het | schrijft uit | schreef uit |
| wij | schrijven uit | schreven uit |
| jullie | schrijven uit | schreven uit |
| zij | schrijven uit | schreven uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgeschreven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgeschreven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgeschreven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgeschreven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeschreven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeschreven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgeschreven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgeschreven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeschreven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schreef uit | verleden tijd |
| schrijf uit | gebiedende wijs |
| te hebben uitgeschreven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitschrijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te schrijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen schrijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal schrijven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou schrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden schrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt schrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen schrijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen schrijven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult schrijven | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeschreven | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeschreven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeschreven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeschreven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeschreven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeschreven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeschreven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeschreven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeschreven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeschreven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeschreven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitschreef | bijzin, verleden tijd |
| uitschreven | bijzin, verleden tijd |
| uitschrijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitschrijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitschrijvend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgeschreven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgeschreven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgeschreven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeschreven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeschreven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgeschreven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeschreven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitschrijven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgeschreven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgeschreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeschreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeschreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeschreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeschreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeschreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitschrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitschrijven uit zou(dt) schrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeschreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeschreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeschreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeschreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeschreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeschreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitschrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeschreven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeschreven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitschrijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeschreven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeschreven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeschreven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgeschreven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeschreven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeschreven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeschreven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitschrijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitschrijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitschrijven | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeschreven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en schrijven ww
Woordfamilie van uitschrijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schreef uit | verleden tijd | uitschrijven |
| schreven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitschrijven |
| schrijf uit | gebiedende wijs | uitschrijven |
| schrijft uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitschrijven |
| schrijve uit | woordvorm | uitschrijven |
| schrijven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitschrijven |
| uitgeschreven | voltooid deelwoord | uitschrijven |
| uitschreef | subordinate-clause, verleden tijd | uitschrijven |
| uitschreven | subordinate-clause, verleden tijd | uitschrijven |
| uitschrijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitschrijven |
| uitschrijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitschrijven |
| uitschrijve | with-subordinate-clause | uitschrijven |
| uitschrijvend | onvoltooid deelwoord | uitschrijven |
| uitschrijvende | woordvorm | uitschrijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitschrijven zijn vastgelegd.