Naar de inhoud

uitputten

volledig leeghalen

uitputten

werkwoord ˈœytpʏtə(n)

Betekenis

  1. volledig leeghalen
  2. alle energie opgebruiken

Hoe spreek je uitputten uit?

/ˈœytpʏtən/

Uitputten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytpʏtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
p pak
ʏ put
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitputten

uitputtenhele werkwoord — putte uitverleden tijd enkelvoud — putten uitverleden tijd meervoud — uitgeputvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik put uit putte uit
jij put uit putte uit
hij, zij, het put uit putte uit
wij putten uit putten uit
jullie putten uit putten uit
zij putten uit putten uit
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeput impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeput impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeput impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeput impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeput worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeput zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeput worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeput zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeput voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeput voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeput voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeput voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeput voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeput voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeput voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeput actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
put uit gebiedende wijs
putte uit verleden tijd
te hebben uitgeput actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitputten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te putten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen putten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal putten bijzin, toekomende tijd
uit zou putten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden putten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt putten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen putten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen putten bijzin, toekomende tijd
uit zult putten bijzin, toekomende tijd
uitgeput verleden tijd, deelwoord
uitgeput te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeput te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeput te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeput te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeput te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeput worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeput zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeput zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeput zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeput zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitput bijzin, tegenwoordige tijd
uitputte bijzin, verleden tijd
uitputtend onvoltooid, deelwoord
waart uitgeput voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeput voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeput voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeput voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeput voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeput voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeput voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeput enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeput enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeput enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeput enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeput enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeput enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeput enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeput enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeput enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeput enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeput enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeput enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeput enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeput hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeput hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeput hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeput zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeput zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitputten bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeput voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeput hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeput hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeput hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeput zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeput zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeput zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitputten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitputten uit zou(dt) putten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeput hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeput hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeput hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeput zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeput zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeput zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitputten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeput hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeput zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitputten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeput hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeput hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeput hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeput zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeput zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeput zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitputten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitputten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitputten bijzin, toekomende tijd
zult uitgeput hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgeput worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgeput zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en putten ww

Woordfamilie van uitputten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
put uit gebiedende wijs uitputten
putte uit verleden tijd uitputten
putten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitputten
uitput subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitputten
uitputte subordinate-clause, verleden tijd uitputten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitputten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitputten

Hoe spreek ik uitputten uit?
Zo spreek je uitputten uit: /ˈœytpʏtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitputten?
Uitputten is een werkwoord. De betekenis is: volledig leeghalen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitputten?
Zo vervoeg je uitputten zo: het voltooid deelwoord is uitgeput. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitputten is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. P 3
  5. U 4
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitputten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. P 4
  5. U 2
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitputten in het kort

uitputten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitputten staan er 84 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitputten bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitputten: volledig leeghalen
Deel uitputten — standaardnederlands.nl