uitpraten
werkwoordBetekenis
- niets meer te vertellen hebben
- zonder onderbreking een verhaal afmaken
- iets bespreken tot er een conclusie getrokken wordt
Vervoeging van uitpraten
uitpratenhele werkwoord — praatte uitverleden tijd enkelvoud — praatten uitverleden tijd meervoud — uitgepraatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | praat uit | praatte uit |
| jij | praat uit | praatte uit |
| hij, zij, het | praat uit | praatte uit |
| wij | praten uit | praatten uit |
| jullie | praten uit | praatten uit |
| zij | praten uit | praatten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgepraat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgepraat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgepraat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgepraat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgepraat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgepraat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgepraat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgepraat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgepraat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| praat uit | gebiedende wijs |
| praatte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgepraat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitpraten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te praten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen praten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal praten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou praten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden praten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt praten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen praten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen praten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult praten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgepraat | verleden tijd, deelwoord |
| uitgepraat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgepraat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgepraat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgepraat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgepraat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgepraat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgepraat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgepraat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgepraat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgepraat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitpraat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitpraatte | bijzin, verleden tijd |
| uitpraatten | bijzin, verleden tijd |
| uitpratend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgepraat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgepraat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgepraat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgepraat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitpraten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgepraat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitpraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitpraten uit zou(dt) praten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitpraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgepraat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgepraat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitpraten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgepraat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitpraten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitpraten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitpraten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgepraat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgepraat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en praten ww
Woordfamilie van uitpraten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| praat uit | gebiedende wijs | uitpraten |
| praatte uit | verleden tijd | uitpraten |
| praatten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitpraten |
| prate uit | woordvorm | uitpraten |
| praten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitpraten |
| uitgepraat | voltooid deelwoord | uitpraten |
| uitgeprate | woordvorm | uitpraten |
| uitpraat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitpraten |
| uitpraatte | subordinate-clause, verleden tijd | uitpraten |
| uitpraatten | subordinate-clause, verleden tijd | uitpraten |
| uitprate | with-subordinate-clause | uitpraten |
| uitpratend | onvoltooid deelwoord | uitpraten |
| uitpratende | woordvorm | uitpraten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitpraten zijn vastgelegd.