uitponden
werkwoordBetekenis
- (van slachtvee) per pond verkopen.
- (van een huurwoning) bij leegkoming verkopen.
werkwoord
- per pond verkopen. transitive
- bij leegkoming verkopen. transitive
Vervoeging van uitponden
uitpondenhele werkwoord — pondde uitverleden tijd enkelvoud — pondden uitverleden tijd meervoud — uitgepondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pond uit | pondde uit |
| jij | pondt uit | pondde uit |
| hij, zij, het | pondt uit | pondde uit |
| wij | ponden uit | pondden uit |
| jullie | ponden uit | pondden uit |
| zij | ponden uit | pondden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgepond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgepond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgepond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgepond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgepond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgepond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgepond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgepond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgepond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgepond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgepond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgepond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgepond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgepond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgepond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgepond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pond uit | gebiedende wijs |
| pondde uit | verleden tijd |
| te hebben uitgepond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitponden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te ponden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen ponden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal ponden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou ponden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden ponden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt ponden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen ponden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen ponden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult ponden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgepond | verleden tijd, deelwoord |
| uitgepond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgepond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgepond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgepond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgepond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgepond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgepond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgepond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgepond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgepond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitpond | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitpondde | bijzin, verleden tijd |
| uitpondden | bijzin, verleden tijd |
| uitpondend | onvoltooid, deelwoord |
| uitpondt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgepond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgepond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgepond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgepond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgepond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgepond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgepond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgepond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgepond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgepond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgepond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgepond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgepond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitponden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgepond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgepond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgepond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgepond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgepond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgepond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgepond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitponden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitponden uit zou(dt) ponden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgepond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgepond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgepond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgepond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgepond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgepond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitponden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgepond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgepond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitponden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgepond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgepond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgepond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgepond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgepond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgepond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgepond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitponden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitponden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitponden | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgepond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstellende afleiding van uit bw en pond zn "gewicht" met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van uitponden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pond uit | gebiedende wijs | uitponden |
| pondde uit | verleden tijd | uitponden |
| pondden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitponden |
| ponde uit | woordvorm | uitponden |
| ponden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitponden |
| pondt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitponden |
| uitgepond | voltooid deelwoord | uitponden |
| uitgeponde | woordvorm | uitponden |
| uitpond | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitponden |
| uitpondde | subordinate-clause, verleden tijd | uitponden |
| uitpondden | subordinate-clause, verleden tijd | uitponden |
| uitponde | with-subordinate-clause | uitponden |
| uitpondend | onvoltooid deelwoord | uitponden |
| uitpondende | woordvorm | uitponden |
| uitpondt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitponden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitponden zijn vastgelegd.