Naar de inhoud

uitplanten

zaailingen in vollere grond planten

uitplanten

werkwoord

Betekenis

  1. zaailingen in vollere grond planten
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van uitplanten

uitplantenhele werkwoord — plantte uitverleden tijd enkelvoud — plantten uitverleden tijd meervoud — uitgeplantvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik plant uit plantte uit
jij plant uit plantte uit
hij, zij, het plant uit plantte uit
wij planten uit plantten uit
jullie planten uit plantten uit
zij planten uit plantten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeplant impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeplant impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeplant impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeplant impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeplant worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeplant zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeplant worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeplant zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeplant actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plant uit gebiedende wijs
plantte uit verleden tijd
te hebben uitgeplant actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitplanten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te planten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen planten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal planten bijzin, toekomende tijd
uit zou planten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden planten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt planten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen planten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen planten bijzin, toekomende tijd
uit zult planten bijzin, toekomende tijd
uitgeplant verleden tijd, deelwoord
uitgeplant te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeplant te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeplant te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeplant te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeplant te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeplant worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeplant zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeplant zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeplant zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeplant zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitplant bijzin, tegenwoordige tijd
uitplantend onvoltooid, deelwoord
uitplantte bijzin, verleden tijd
uitplantten bijzin, verleden tijd
waart uitgeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeplant hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeplant hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeplant hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeplant zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeplant zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitplanten bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitplanten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitplanten uit zou(dt) planten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitplanten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitplanten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeplant hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeplant hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeplant hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeplant zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeplant zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeplant zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitplanten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitplanten bijzin, toekomende tijd
zult uitgeplant hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en planten ww

Woordfamilie van uitplanten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
plant uit gebiedende wijs uitplanten
plante uit woordvorm uitplanten
planten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitplanten
plantte uit verleden tijd uitplanten
plantten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitplanten
uitgeplant voltooid deelwoord uitplanten
uitgeplante woordvorm uitplanten
uitplant subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitplanten
uitplante with-subordinate-clause uitplanten
uitplantend onvoltooid deelwoord uitplanten
uitplantende woordvorm uitplanten
uitplantte subordinate-clause, verleden tijd uitplanten
uitplantten subordinate-clause, verleden tijd uitplanten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitplanten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitplanten

Wat is de betekenis van uitplanten?
Uitplanten is een werkwoord. De betekenis is: zaailingen in vollere grond planten. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitplanten?
Zo vervoeg je uitplanten zo: het voltooid deelwoord is uitgeplant. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitplanten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. P 3
  5. L 3
  6. A 1
  7. N 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitplanten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. P 4
  5. L 3
  6. A 1
  7. N 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitplanten in het kort

uitplanten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitplanten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitplanten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitplanten: zaailingen in vollere grond planten
Deel uitplanten — standaardnederlands.nl