Naar de inhoud

uitloggen

de sessie met de computer verbreken

uitloggen

werkwoord ˈœytlɔɣə(n)

Betekenis

  1. de sessie met de computer verbreken

Hoe spreek je uitloggen uit?

/ˈœytlɔxən/

Uitloggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytlɔxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
l land
ɔ bot
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitloggen

uitloggenhele werkwoord — logde uitverleden tijd enkelvoud — logden uitverleden tijd meervoud — uitgelogdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik log uit logde uit
jij logt uit logde uit
hij, zij, het logt uit logde uit
wij loggen uit logden uit
jullie loggen uit logden uit
zij loggen uit logden uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgelogd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelogd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelogd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelogd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelogd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelogd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelogd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelogd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelogd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelogd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelogd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelogd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelogd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelogd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelogd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
log uit gebiedende wijs
logde uit verleden tijd
te hebben uitgelogd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitloggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te loggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen loggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal loggen bijzin, toekomende tijd
uit zou loggen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden loggen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt loggen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen loggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen loggen bijzin, toekomende tijd
uit zult loggen bijzin, toekomende tijd
uitgelogd verleden tijd, deelwoord
uitgelogd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelogd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitlog bijzin, tegenwoordige tijd
uitlogde bijzin, verleden tijd
uitlogden bijzin, verleden tijd
uitloggend onvoltooid, deelwoord
uitlogt bijzin, tegenwoordige tijd
zal uitgelogd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelogd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelogd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitloggen bijzin, toekomende tijd
zou uitgelogd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelogd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelogd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitloggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitloggen uit zou(dt) loggen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelogd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelogd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelogd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitloggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelogd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitloggen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelogd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelogd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelogd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitloggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitloggen bijzin, toekomende tijd
zult uitgelogd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitloggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitloggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitloggen uit zult/zal loggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en loggen

Woordfamilie van uitloggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
log uit gebiedende wijs uitloggen
logde uit verleden tijd uitloggen
logden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitloggen
logge uit woordvorm uitloggen
loggen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitloggen
logt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitloggen
uitgelogd voltooid deelwoord uitloggen
uitlog subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitloggen
uitlogde subordinate-clause, verleden tijd uitloggen
uitlogden subordinate-clause, verleden tijd uitloggen
uitlogge with-subordinate-clause uitloggen
uitloggend onvoltooid deelwoord uitloggen
uitloggende woordvorm uitloggen
uitlogt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitloggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitloggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitloggen

Hoe spreek ik uitloggen uit?
Zo spreek je uitloggen uit: /ˈœytlɔɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitloggen?
Uitloggen is een werkwoord. De betekenis is: de sessie met de computer verbreken.
Hoe vervoeg ik uitloggen?
Zo vervoeg je uitloggen zo: het voltooid deelwoord is uitgelogd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitloggen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitloggen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitloggen in het kort

uitloggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitloggen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitloggen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitloggen: de sessie met de computer verbreken
Deel uitloggen — standaardnederlands.nl