Naar de inhoud

uitlijnen

zodanig stellen dat ze in een gewenste stand staan

uitlijnen

werkwoord

Betekenis

  1. zodanig stellen dat ze in een gewenste stand staan
  2. in of op één lijn brengen

Vervoeging van uitlijnen

uitlijnenhele werkwoord — lijnde uitverleden tijd enkelvoud — lijnden uitverleden tijd meervoud — uitgelijndvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lijn uit lijnde uit
jij lijnt uit lijnde uit
hij, zij, het lijnt uit lijnde uit
wij lijnen uit lijnden uit
jullie lijnen uit lijnden uit
zij lijnen uit lijnden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgelijnd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgelijnd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgelijnd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgelijnd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgelijnd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgelijnd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgelijnd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgelijnd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgelijnd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelijnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelijnd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelijnd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelijnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelijnd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelijnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelijnd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lijn uit gebiedende wijs
lijnde uit verleden tijd
te hebben uitgelijnd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlijnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te lijnen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen lijnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal lijnen bijzin, toekomende tijd
uit zou lijnen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden lijnen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt lijnen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen lijnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen lijnen bijzin, toekomende tijd
uit zult lijnen bijzin, toekomende tijd
uitgelijnd verleden tijd, deelwoord
uitgelijnd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelijnd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelijnd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelijnd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelijnd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelijnd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelijnd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelijnd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelijnd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelijnd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitlijn bijzin, tegenwoordige tijd
uitlijnde bijzin, verleden tijd
uitlijnden bijzin, verleden tijd
uitlijnend onvoltooid, deelwoord
uitlijnt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgelijnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelijnd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelijnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelijnd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelijnd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelijnd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelijnd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgelijnd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgelijnd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelijnd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelijnd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgelijnd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelijnd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlijnen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelijnd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelijnd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelijnd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelijnd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelijnd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelijnd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelijnd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlijnen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlijnen uit zou(dt) lijnen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelijnd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelijnd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelijnd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelijnd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelijnd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelijnd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlijnen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelijnd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelijnd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlijnen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelijnd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelijnd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelijnd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgelijnd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelijnd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelijnd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelijnd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitlijnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitlijnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitlijnen bijzin, toekomende tijd
zult uitgelijnd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en lijnen

Woordfamilie van uitlijnen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lijn uit gebiedende wijs uitlijnen
lijnde uit verleden tijd uitlijnen
lijnden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlijnen
lijne uit woordvorm uitlijnen
lijnen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlijnen
lijnt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitlijnen
uitgelijnd voltooid deelwoord uitlijnen
uitgelijnde woordvorm uitlijnen
uitlijn subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlijnen
uitlijnde subordinate-clause, verleden tijd uitlijnen
uitlijnden subordinate-clause, verleden tijd uitlijnen
uitlijne with-subordinate-clause uitlijnen
uitlijnend onvoltooid deelwoord uitlijnen
uitlijnende woordvorm uitlijnen
uitlijnt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlijnen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlijnen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitlijnen

Wat is de betekenis van uitlijnen?
Uitlijnen is een werkwoord. De betekenis is: zodanig stellen dat ze in een gewenste stand staan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitlijnen?
Zo vervoeg je uitlijnen zo: het voltooid deelwoord is uitgelijnd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlijnen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlijnen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. I 2
  6. J 4
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlijnen in het kort

uitlijnen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitlijnen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitlijnen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitlijnen: zodanig stellen dat ze in een gewenste stand staan
Deel uitlijnen — standaardnederlands.nl