Naar de inhoud

uitlezen

lezen tot het verhaal afgelopen is

uitlezen

werkwoord

Betekenis

  1. lezen tot het verhaal afgelopen is
  2. ergens digitale gegevens uithalen

werkwoord

  1. ergens digitale gegevens uit halen transitive

Vervoeging van uitlezen

uitlezenhele werkwoord — las uitverleden tijd enkelvoud — lazen uitverleden tijd meervoud — uitgelezenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lees uit las uit
jij leest uit laast uit
hij, zij, het leest uit las uit
wij lezen uit lazen uit
jullie lezen uit lazen uit
zij lezen uit lazen uit
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgelezen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgelezen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgelezen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgelezen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgelezen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgelezen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgelezen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgelezen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgelezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
las uit verleden tijd
lees uit gebiedende wijs
te hebben uitgelezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te lezen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen lezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal lezen bijzin, toekomende tijd
uit zou lezen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden lezen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt lezen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen lezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen lezen bijzin, toekomende tijd
uit zult lezen bijzin, toekomende tijd
uitgelezen verleden tijd, deelwoord
uitgelezen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelezen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelezen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelezen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelezen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelezen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelezen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelezen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelezen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelezen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitlaast bijzin, verleden tijd
uitlas bijzin, verleden tijd
uitlazen bijzin, verleden tijd
uitlees bijzin, tegenwoordige tijd
uitleest bijzin, tegenwoordige tijd
uitlezend onvoltooid, deelwoord
waart uitgelezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgelezen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgelezen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelezen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelezen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgelezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlezen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelezen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelezen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelezen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlezen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlezen uit zou(dt) lezen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelezen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelezen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelezen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlezen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelezen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlezen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelezen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelezen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelezen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgelezen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitlezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitlezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitlezen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en lezen ww

Woordfamilie van uitlezen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lazen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlezen
lees uit gebiedende wijs uitlezen
leest uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitlezen
leze uit woordvorm uitlezen
lezen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlezen
uitgelezen voltooid deelwoord uitlezen
uitlazen subordinate-clause, verleden tijd uitlezen
uitlees subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlezen
uitleest subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlezen
uitleze with-subordinate-clause uitlezen
uitlezend onvoltooid deelwoord uitlezen
uitlezende woordvorm uitlezen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlezen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitlezen

Wat betekent uitlezen?
Uitlezen is een werkwoord. Het woord betekent: lezen tot het verhaal afgelopen is. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitlezen?
Je vervoegt uitlezen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgelezen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlezen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlezen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. E 1
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlezen in het kort

uitlezen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitlezen zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitlezen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitlezen: lezen tot het verhaal afgelopen is
Deel uitlezen — standaardnederlands.nl