Naar de inhoud

uitlachen

iemand door te lachen bespotten

uitlachen

werkwoord ˈœytlɑxə(n)

Betekenis

  1. iemand door te lachen bespotten

Hoe spreek je uitlachen uit?

/ˈœytlɑxən/

Uitlachen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytlɑxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
l land
ɑ bad
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitlachen

uitlachenhele werkwoord — lachte uitverleden tijd enkelvoud — lachten uitverleden tijd meervoud — uitgelachenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lach uit lachte uit
jij lacht uit lachte uit
hij, zij, het lacht uit lachte uit
wij lachen uit lachten uit
jullie lachen uit lachten uit
zij lachen uit lachten uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgelachen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgelachen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgelachen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgelachen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgelachen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgelachen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgelachen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgelachen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelachen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lach uit gebiedende wijs
lachte uit verleden tijd
te hebben uitgelachen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te lachen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen lachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal lachen bijzin, toekomende tijd
uit zou lachen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden lachen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt lachen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen lachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen lachen bijzin, toekomende tijd
uit zult lachen bijzin, toekomende tijd
uitgelachen verleden tijd, deelwoord
uitgelachen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelachen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelachen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelachen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelachen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelachen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelachen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelachen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelachen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelachen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitlach bijzin, tegenwoordige tijd
uitlachend onvoltooid, deelwoord
uitlacht bijzin, tegenwoordige tijd
uitlachte bijzin, verleden tijd
uitlachten bijzin, verleden tijd
waart uitgelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgelachen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgelachen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelachen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgelachen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelachen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlachen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelachen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelachen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelachen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlachen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlachen uit zou(dt) lachen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelachen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelachen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelachen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlachen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelachen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlachen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelachen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelachen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgelachen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelachen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelachen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelachen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitlachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitlachen bijzin, toekomende tijd
zult uitgelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en lachen ww

Woordfamilie van uitlachen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lach uit gebiedende wijs uitlachen
lache uit woordvorm uitlachen
lachen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlachen
lacht uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitlachen
lachte uit verleden tijd uitlachen
lachten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlachen
uitgelachen voltooid deelwoord uitlachen
uitlach subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlachen
uitlache with-subordinate-clause uitlachen
uitlachend onvoltooid deelwoord uitlachen
uitlachende woordvorm uitlachen
uitlacht subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlachen
uitlachte subordinate-clause, verleden tijd uitlachen
uitlachten subordinate-clause, verleden tijd uitlachen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlachen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitlachen

Hoe spreek je uitlachen uit?
De uitspraak van uitlachen is: /ˈœytlɑxə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitlachen?
Uitlachen is een werkwoord. Het woord betekent: iemand door te lachen bespotten.
Hoe vervoeg je uitlachen?
Je vervoegt uitlachen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgelachen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlachen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlachen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlachen in het kort

uitlachen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitlachen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitlachen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitlachen: iemand door te lachen bespotten
Deel uitlachen — standaardnederlands.nl