uithuwelijken
werkwoordBetekenis
- een huwelijk arrangeren voor een meisje
Vervoeging van uithuwelijken
uithuwelijkenhele werkwoord — huwelijkte uitverleden tijd enkelvoud — huwelijkten uitverleden tijd meervoud — uitgehuwelijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | huwelijk uit | huwelijkte uit |
| jij | huwelijkt uit | huwelijkte uit |
| hij, zij, het | huwelijkt uit | huwelijkte uit |
| wij | huwelijken uit | huwelijkten uit |
| jullie | huwelijken uit | huwelijkten uit |
| zij | huwelijken uit | huwelijkten uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgehuwelijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgehuwelijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgehuwelijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgehuwelijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehuwelijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehuwelijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgehuwelijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgehuwelijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehuwelijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| huwelijk uit | gebiedende wijs |
| huwelijkte uit | verleden tijd |
| is uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgehuwelijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uithuwelijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te huwelijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen huwelijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal huwelijken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou huwelijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden huwelijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt huwelijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen huwelijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen huwelijken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult huwelijken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgehuwelijkt | verleden tijd, deelwoord |
| uitgehuwelijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehuwelijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehuwelijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehuwelijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehuwelijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehuwelijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehuwelijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehuwelijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehuwelijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehuwelijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uithuwelijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithuwelijkend | onvoltooid, deelwoord |
| uithuwelijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithuwelijkte | bijzin, verleden tijd |
| uithuwelijkten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgehuwelijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgehuwelijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgehuwelijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehuwelijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgehuwelijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgehuwelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehuwelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uithuwelijken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgehuwelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgehuwelijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehuwelijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehuwelijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehuwelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehuwelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehuwelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uithuwelijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uithuwelijken uit zou(dt) huwelijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgehuwelijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehuwelijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehuwelijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehuwelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehuwelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehuwelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uithuwelijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgehuwelijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehuwelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uithuwelijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgehuwelijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehuwelijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehuwelijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgehuwelijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehuwelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehuwelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehuwelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uithuwelijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uithuwelijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uithuwelijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgehuwelijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en huwelijken ww
Woordfamilie van uithuwelijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huwelijk uit | gebiedende wijs | uithuwelijken |
| huwelijke uit | woordvorm | uithuwelijken |
| huwelijken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uithuwelijken |
| huwelijkt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uithuwelijken |
| huwelijkte uit | verleden tijd | uithuwelijken |
| huwelijkten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uithuwelijken |
| uitgehuwelijkt | voltooid deelwoord | uithuwelijken |
| uitgehuwelijkte | woordvorm | uithuwelijken |
| uithuwelijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithuwelijken |
| uithuwelijke | with-subordinate-clause | uithuwelijken |
| uithuwelijkend | onvoltooid deelwoord | uithuwelijken |
| uithuwelijkende | woordvorm | uithuwelijken |
| uithuwelijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithuwelijken |
| uithuwelijkte | subordinate-clause, verleden tijd | uithuwelijken |
| uithuwelijkten | subordinate-clause, verleden tijd | uithuwelijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uithuwelijken zijn vastgelegd.