Naar de inhoud

uithangen

iets ruim ophangen

uithangen

werkwoord ˈœythɑŋə(n)

Betekenis

  1. iets ruim ophangen
  2. ergens verblijven

Hoe spreek je uithangen uit?

/ˈœythɑŋən/

Uithangen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœythɑŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
h hoed
ɑ bad
ŋ ding
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uithangen

uithangenhele werkwoord — hing uitverleden tijd enkelvoud — hingen uitverleden tijd meervoud — uitgehangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hang uit hing uit
jij hangt uit hing uit
hij, zij, het hangt uit hing uit
wij hangen uit hingen uit
jullie hangen uit hingen uit
zij hangen uit hingen uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgehangen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgehangen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgehangen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgehangen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgehangen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgehangen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hang uit gebiedende wijs
heb uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hing uit verleden tijd
is uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uithangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te hangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal hangen bijzin, toekomende tijd
uit zou hangen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden hangen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt hangen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen hangen bijzin, toekomende tijd
uit zult hangen bijzin, toekomende tijd
uitgehangen verleden tijd, deelwoord
uitgehangen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgehangen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgehangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgehangen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgehangen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgehangen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgehangen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgehangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgehangen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgehangen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uithang bijzin, tegenwoordige tijd
uithangend onvoltooid, deelwoord
uithangt bijzin, tegenwoordige tijd
uithing bijzin, verleden tijd
uithingen bijzin, verleden tijd
waart uitgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uithangen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uithangen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uithangen uit zou(dt) hangen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uithangen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uithangen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uithangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uithangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uithangen bijzin, toekomende tijd
zult uitgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en hangen ww

Woordfamilie van uithangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hang uit gebiedende wijs uithangen
hange uit woordvorm uithangen
hangen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uithangen
hangt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uithangen
hing uit verleden tijd uithangen
hingen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uithangen
uitgehangen voltooid deelwoord uithangen
uithang subordinate-clause, tegenwoordige tijd uithangen
uithange with-subordinate-clause uithangen
uithangend onvoltooid deelwoord uithangen
uithangende woordvorm uithangen
uithangt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uithangen
uithing subordinate-clause, verleden tijd uithangen
uithingen subordinate-clause, verleden tijd uithangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uithangen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uithangen

Hoe spreek je uithangen uit?
De uitspraak van uithangen is: /ˈœythɑŋə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uithangen?
Uithangen is een werkwoord. Het woord betekent: iets ruim ophangen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uithangen?
Je vervoegt uithangen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgehangen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uithangen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. H 4
  5. A 1
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uithangen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. H 4
  5. A 1
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uithangen in het kort

uithangen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uithangen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uithangen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uithangen: iets ruim ophangen
Deel uithangen — standaardnederlands.nl