Naar de inhoud

uitgloeien

het door en door gloeien van materialen om fysische eigenschappen te wijzigen

uitgloeien

werkwoord

Betekenis

  1. het door en door gloeien van materialen om fysische eigenschappen te wijzigen

Vervoeging van uitgloeien

uitgloeienhele werkwoord — gloeide uitverleden tijd enkelvoud — gloeiden uitverleden tijd meervoud — uitgegloeidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik gloei uit gloeide uit
jij gloeit uit gloeide uit
hij, zij, het gloeit uit gloeide uit
wij gloeien uit gloeiden uit
jullie gloeien uit gloeiden uit
zij gloeien uit gloeiden uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gloei uit gebiedende wijs
gloeide uit verleden tijd
had uitgegloeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgegloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgegloeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgegloeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgegloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgegloeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgegloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgegloeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegloeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgegloeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgegloeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgegloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegloeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgegloeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitgloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te gloeien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen gloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal gloeien bijzin, toekomende tijd
uit zou gloeien bijzin, voorwaardelijk
uit zouden gloeien bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt gloeien bijzin, voorwaardelijk
uit zullen gloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen gloeien bijzin, toekomende tijd
uit zult gloeien bijzin, toekomende tijd
uitgegloeid verleden tijd, deelwoord
uitgegloeid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgegloeid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgloei bijzin, tegenwoordige tijd
uitgloeide bijzin, verleden tijd
uitgloeiden bijzin, verleden tijd
uitgloeiend onvoltooid, deelwoord
uitgloeit bijzin, tegenwoordige tijd
zal uitgegloeid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgegloeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgegloeid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitgloeien bijzin, toekomende tijd
zou uitgegloeid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgegloeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgegloeid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitgloeien bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitgloeien uit zou(dt) gloeien bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgegloeid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgegloeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgegloeid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitgloeien bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgegloeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitgloeien bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgegloeid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgegloeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgegloeid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitgloeien bijzin, toekomende tijd
zult uitgegloeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitgloeien bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitgloeien uit zult/zal gloeien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en gloeien ww

Woordfamilie van uitgloeien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gloei uit gebiedende wijs uitgloeien
gloeide uit verleden tijd uitgloeien
gloeiden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitgloeien
gloeie uit woordvorm uitgloeien
gloeien uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitgloeien
gloeit uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitgloeien
uitgegloeid voltooid deelwoord uitgloeien
uitgloei subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitgloeien
uitgloeide subordinate-clause, verleden tijd uitgloeien
uitgloeiden subordinate-clause, verleden tijd uitgloeien
uitgloeie with-subordinate-clause uitgloeien
uitgloeiend onvoltooid deelwoord uitgloeien
uitgloeiende woordvorm uitgloeien
uitgloeit subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitgloeien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgloeien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitgloeien

Wat is de betekenis van uitgloeien?
Uitgloeien is een werkwoord. De betekenis is: het door en door gloeien van materialen om fysische eigenschappen te wijzigen.
Hoe vervoeg ik uitgloeien?
Zo vervoeg je uitgloeien zo: het voltooid deelwoord is uitgegloeid. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitgloeien is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. L 3
  6. O 1
  7. E 1
  8. I 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitgloeien levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. G 3
  5. L 3
  6. O 1
  7. E 1
  8. I 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitgloeien in het kort

uitgloeien staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitgloeien staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitgloeien bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitgloeien: het door en door gloeien van materialen om fysische eigenschappen te wijzigen
Deel uitgloeien — standaardnederlands.nl