uitgloeien
werkwoordBetekenis
- het door en door gloeien van materialen om fysische eigenschappen te wijzigen
Vervoeging van uitgloeien
uitgloeienhele werkwoord — gloeide uitverleden tijd enkelvoud — gloeiden uitverleden tijd meervoud — uitgegloeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gloei uit | gloeide uit |
| jij | gloeit uit | gloeide uit |
| hij, zij, het | gloeit uit | gloeide uit |
| wij | gloeien uit | gloeiden uit |
| jullie | gloeien uit | gloeiden uit |
| zij | gloeien uit | gloeiden uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gloei uit | gebiedende wijs |
| gloeide uit | verleden tijd |
| had uitgegloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgegloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgegloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgegloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgegloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgegloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgegloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgegloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitgloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te gloeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen gloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal gloeien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou gloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden gloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt gloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen gloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen gloeien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult gloeien | bijzin, toekomende tijd |
| uitgegloeid | verleden tijd, deelwoord |
| uitgegloeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegloeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgloei | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgloeide | bijzin, verleden tijd |
| uitgloeiden | bijzin, verleden tijd |
| uitgloeiend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgloeit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal uitgegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitgloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitgloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitgloeien uit zou(dt) gloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitgloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitgloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitgloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitgloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitgloeien uit zult/zal gloeien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en gloeien ww
Woordfamilie van uitgloeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gloei uit | gebiedende wijs | uitgloeien |
| gloeide uit | verleden tijd | uitgloeien |
| gloeiden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitgloeien |
| gloeie uit | woordvorm | uitgloeien |
| gloeien uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitgloeien |
| gloeit uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitgloeien |
| uitgegloeid | voltooid deelwoord | uitgloeien |
| uitgloei | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgloeien |
| uitgloeide | subordinate-clause, verleden tijd | uitgloeien |
| uitgloeiden | subordinate-clause, verleden tijd | uitgloeien |
| uitgloeie | with-subordinate-clause | uitgloeien |
| uitgloeiend | onvoltooid deelwoord | uitgloeien |
| uitgloeiende | woordvorm | uitgloeien |
| uitgloeit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgloeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgloeien zijn vastgelegd.