uitglijden
werkwoordBetekenis
- door glijden ten val komen
Vervoeging van uitglijden
uitglijdenhele werkwoord — gleed uitverleden tijd enkelvoud — gleden uitverleden tijd meervoud — uitgegledenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glij uit | gleed uit |
| jij | glijdt uit | gleed uit |
| hij, zij, het | glijdt uit | gleed uit |
| wij | glijden uit | gleden uit |
| jullie | glijden uit | gleden uit |
| zij | glijden uit | gleden uit |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. glij uit/ glijd uit | gebiedende wijs |
| gleed uit | verleden tijd |
| is uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgegleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitglijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te glijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen glijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal glijden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen glijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen glijden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult glijden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgegleden | verleden tijd, deelwoord |
| uitgegleden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegleden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgleden | bijzin, verleden tijd |
| uitgleed | bijzin, verleden tijd |
| uitgleedt | bijzin, verleden tijd |
| uitglij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitglijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitglijdend | onvoltooid, deelwoord |
| uitglijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgegleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgegleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgegleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgegleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgegleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgegleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgegleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitglijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgegleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitglijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitglijden uit zou(dt) glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitglijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitglijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitglijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitglijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitglijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitglijden uit zult/zal glijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en glijden ww
Woordfamilie van uitglijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gleden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitglijden |
| gleed uit | verleden tijd | uitglijden |
| glij uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | uitglijden |
| glijd uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | uitglijden |
| glijde uit | woordvorm | uitglijden |
| glijden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitglijden |
| glijdt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitglijden |
| uitgegleden | voltooid deelwoord | uitglijden |
| uitgleden | subordinate-clause, verleden tijd | uitglijden |
| uitgleed | subordinate-clause, verleden tijd | uitglijden |
| uitglij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitglijden |
| uitglijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitglijden |
| uitglijde | with-subordinate-clause | uitglijden |
| uitglijdend | onvoltooid deelwoord | uitglijden |
| uitglijdende | woordvorm | uitglijden |
| uitglijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitglijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitglijden zijn vastgelegd.