Naar de inhoud

uitglijden

door glijden ten val komen

uitglijden

werkwoord

Betekenis

  1. door glijden ten val komen

Vervoeging van uitglijden

uitglijdenhele werkwoord — gleed uitverleden tijd enkelvoud — gleden uitverleden tijd meervoud — uitgegledenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik glij uit gleed uit
jij glijdt uit gleed uit
hij, zij, het glijdt uit gleed uit
wij glijden uit gleden uit
jullie glijden uit gleden uit
zij glijden uit gleden uit
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. glij uit/ glijd uit gebiedende wijs
gleed uit verleden tijd
is uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgegleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitglijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te glijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen glijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal glijden bijzin, toekomende tijd
uit zou glijden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden glijden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt glijden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen glijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen glijden bijzin, toekomende tijd
uit zult glijden bijzin, toekomende tijd
uitgegleden verleden tijd, deelwoord
uitgegleden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgegleden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgleden bijzin, verleden tijd
uitgleed bijzin, verleden tijd
uitgleedt bijzin, verleden tijd
uitglij bijzin, tegenwoordige tijd
uitglijd bijzin, tegenwoordige tijd
uitglijdend onvoltooid, deelwoord
uitglijdt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgegleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgegleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgegleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgegleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgegleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgegleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgegleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitglijden bijzin, toekomende tijd
zijn uitgegleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitglijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitglijden uit zou(dt) glijden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitglijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitglijden bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitglijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitglijden bijzin, toekomende tijd
zult uitgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitglijden bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitglijden uit zult/zal glijden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en glijden ww

Woordfamilie van uitglijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gleden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitglijden
gleed uit verleden tijd uitglijden
glij uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon uitglijden
glijd uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon uitglijden
glijde uit woordvorm uitglijden
glijden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitglijden
glijdt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitglijden
uitgegleden voltooid deelwoord uitglijden
uitgleden subordinate-clause, verleden tijd uitglijden
uitgleed subordinate-clause, verleden tijd uitglijden
uitglij subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitglijden
uitglijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitglijden
uitglijde with-subordinate-clause uitglijden
uitglijdend onvoltooid deelwoord uitglijden
uitglijdende woordvorm uitglijden
uitglijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitglijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitglijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitglijden

Wat is de betekenis van uitglijden?
Uitglijden is een werkwoord. De betekenis is: door glijden ten val komen.
Hoe vervoeg ik uitglijden?
Zo vervoeg je uitglijden zo: het voltooid deelwoord is uitgegleden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitglijden is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. L 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitglijden levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. G 3
  5. L 3
  6. I 2
  7. J 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitglijden in het kort

uitglijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitglijden staan er 50 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitglijden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitglijden: door glijden ten val komen
Deel uitglijden — standaardnederlands.nl