Naar de inhoud

uitdossen

zich ~ zich op opvallende wijze kleden

uitdossen

werkwoord

Betekenis

  1. zich ~ zich op opvallende wijze kleden

Vervoeging van uitdossen

uitdossenhele werkwoord — doste uitverleden tijd enkelvoud — dosten uitverleden tijd meervoud — uitgedostvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dos uit doste uit
jij dost uit doste uit
hij, zij, het dost uit doste uit
wij dossen uit dosten uit
jullie dossen uit dosten uit
zij dossen uit dosten uit
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dos u/je uit, dost je uit gebiedende wijs
dos uit gebiedende wijs
doste uit verleden tijd
er is uitgedost impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgedost impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgedost impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgedost impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgedost worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgedost zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgedost worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgedost zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgedost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgedost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgedost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgedost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgedost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgedost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgedost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgedost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgedost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitdossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te dossen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen dossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal dossen bijzin, toekomende tijd
uit zou dossen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden dossen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt dossen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen dossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen dossen bijzin, toekomende tijd
uit zult dossen bijzin, toekomende tijd
uitdos bijzin, tegenwoordige tijd
uitdossend onvoltooid, deelwoord
uitdost bijzin, tegenwoordige tijd
uitdoste bijzin, verleden tijd
uitdosten bijzin, verleden tijd
uitgedost verleden tijd, deelwoord
uitgedost te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgedost te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgedost te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedost te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedost te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedost worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgedost zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgedost zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgedost zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgedost zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgedost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgedost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedost voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgedost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgedost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgedost voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgedost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgedost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgedost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgedost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgedost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgedost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgedost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgedost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgedost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgedost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgedost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgedost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgedost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitdossen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitdossen bijzin, toekomende tijd
zal uitgedost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgedost hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgedost zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedost zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich uitdossen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitdossen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitdossend onvoltooid, deelwoord
zich uitgedost hebben verleden tijd
zijn uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgedost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitdossen bijzin, voorwaardelijk
zou uitgedost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitdossen uit zou(dt) dossen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitdossen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgedost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgedost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitdossen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgedost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgedost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgedost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je uitdossen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitdossen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitdossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitdossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitdossen bijzin, toekomende tijd
zullen uitgedost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgedost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en dossen ww

Woordfamilie van uitdossen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dos uit gebiedende wijs uitdossen
dosse uit woordvorm uitdossen
dossen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitdossen
dost uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitdossen
doste uit verleden tijd uitdossen
dosten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitdossen
uitdos subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdossen
uitdosse with-subordinate-clause uitdossen
uitdossend onvoltooid deelwoord uitdossen
uitdossende woordvorm uitdossen
uitdost subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdossen
uitdoste subordinate-clause, verleden tijd uitdossen
uitdosten subordinate-clause, verleden tijd uitdossen
uitgedost voltooid deelwoord uitdossen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdossen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitdossen

Wat is de betekenis van uitdossen?
Uitdossen is een werkwoord. De betekenis is: zich ~ zich op opvallende wijze kleden.
Hoe vervoeg ik uitdossen?
Zo vervoeg je uitdossen zo: het voltooid deelwoord is uitgedost. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitdossen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. D 2
  5. O 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitdossen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. D 2
  5. O 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitdossen in het kort

uitdossen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitdossen staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitdossen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitdossen: zich ~ zich op opvallende wijze kleden
Deel uitdossen — standaardnederlands.nl