uitdelen
werkwoord ˈœydelə(n)Betekenis
- meerdere personen ergens op trakteren
- geven van klappen, boetes of straffen
Hoe spreek je uitdelen uit?
/ˈœydelən/
Uitdelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitdelen
uitdelenhele werkwoord — deelde uitverleden tijd enkelvoud — deelden uitverleden tijd meervoud — uitgedeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | deel uit | deelde uit |
| jij | deelt uit | deelde uit |
| hij, zij, het | deelt uit | deelde uit |
| wij | delen uit | deelden uit |
| jullie | delen uit | deelden uit |
| zij | delen uit | deelden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deel uit | gebiedende wijs |
| deelde uit | verleden tijd |
| er is uitgedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgedeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgedeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te delen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen delen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal delen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou delen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden delen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt delen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen delen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen delen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult delen | bijzin, toekomende tijd |
| uitdeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdeelde | bijzin, verleden tijd |
| uitdeelden | bijzin, verleden tijd |
| uitdeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdelend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgedeeld | verleden tijd, deelwoord |
| uitgedeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitdelen | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitdelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitdelen uit zou(dt) delen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitdelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitdelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitdelen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en delen ww
Woordfamilie van uitdelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deel uit | gebiedende wijs | uitdelen |
| deelde uit | verleden tijd | uitdelen |
| deelden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitdelen |
| deelt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitdelen |
| dele uit | woordvorm | uitdelen |
| delen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitdelen |
| uitdeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdelen |
| uitdeelde | subordinate-clause, verleden tijd | uitdelen |
| uitdeelden | subordinate-clause, verleden tijd | uitdelen |
| uitdeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdelen |
| uitdele | with-subordinate-clause | uitdelen |
| uitdelend | onvoltooid deelwoord | uitdelen |
| uitdelende | woordvorm | uitdelen |
| uitgedeeld | voltooid deelwoord | uitdelen |
| uitgedeelde | woordvorm | uitdelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdelen zijn vastgelegd.